Het boek Jubileeën

Mozes keert terug van Midian naar Egypte. Mastema probeert hem onderweg te doden: 1-3. De tien plagen: 4-11. Israël vertrekt uit Egypte; de vernietiging van de Egyptenaren aan de Rode Zee: 12-19 (zie Exod. ii.15; iv.19,24; vii. e.v.).

Hoofdstuk 48

  1. En in het zesde jaar van de derde jaarweek van de negenenveertigste jubeljaarperiode [2372 AM] vertrok u en woonde (in het land Midian) vijf jaarweken en een jaar. En u keerde terug in Egypte in de tweede jaarweek, in het tweede jaar, in de vijftigste jubeljaarperiode [2410 AM].
  2. En u weet zelf, wat Hij op de Berg Sinaï tot u heeft gesproken en wat de vorst Mastema met u wilde doen toen u terugkeerde naar Egypte (op de weg toen u hem ontmoette bij de overnachtingsplaats).
  3. Heeft hij niet met al zijn macht geprobeerd om u te doden en de Egyptenaren uit uw hand te bevrijden, toen hij zag dat u gezonden was om het oordeel en de wraak op de Egyptenaren te volbrengen?
  4. En Ik heb u uit zijn hand bevrijd, en u hebt de tekenen en wonderen uitgevoerd, die u zond in Egypte tegen Farao, en tegen zijn ganse huis, en tegen zijn dienaren en zijn volk.
  5. En de Heer heeft in het belang van Israël wraak genomen en hen door bloed en kikkers, luizen en ongedierte geslagen, en kwaadaardige bliksems die in vlammen uitbarstten; en doodde hun vee; en door hagelstenen, daardoor vernietigde Hij alles wat voor hen groeide; en door de sprinkhanen, die de overblijfselen verslonden, die waren overgebleven van de hagel; en door de duisternis; en (door de dood) van de eerstgeborenen van mensen en dieren, en op al hun afgoden nam de Heer wraak en verbrandde hen met vuur.
  6. En alles werd door uw hand gezonden, opdat u deze dingen zou verkondigen, voordat zij zouden gebeuren, en u sprak met de koning van Egypte, voor al zijn knechten en voor zijn volk.
  7. En alles geschiedde naar uw woorden: tien grote en vreselijke oordelen kwamen over het land Egypte, zodat u de wraak over het land voor Israël zou uitvoeren.
  8. En de Heer deed alles in het belang van Israël en in overeenstemming met Zijn verbond, dat Hij met Abraham had verordineerd, dat Hij wraak op hen zou nemen, aangezien zij hen met geweld in slavernij hadden gebracht.
  9. En de prins Mastema stond tegen u op, en wilde u in de handen van Farao overgeven, en hij hielp de Egyptische tovenaars,
  10. en zij stonden op en smeedden de kwade dingen voor u, die wij hun inderdaad toestonden om te bewerken, maar wij stonden niet toe dat de remedies door hun handen gedaan werden.
  11. En de Heer sloeg hen met kwaadaardige zweren, en zij waren niet in staat om te staan, want wij vernietigden hen, zodat zij geen enkel teken konden uitvoeren.
  12. En ondanks alle tekenen en wonderen werd de prins Mastema niet te schande gemaakt, want hij vatte moed en riep de Egyptenaren op om u te achtervolgen met alle strijdmachten van de Egyptenaren, met hun strijdwagens en met hun paarden, en met al de scharen van de volken van Egypte.
  13. En Ik stond tussen de Egyptenaren en Israël, en wij bevrijdden Israël uit zijn hand, en uit de hand van zijn volk, en de Heer bracht hen door het midden van de zee alsof het droog land was.
  14. En al de volken die Hij ertoe bracht om Israël te achtervolgen, wierp de Heer onze God in het midden van de zee, in de diepte van de afgrond onder de kinderen Israëls, zoals het volk Egypte hun kinderen in de rivier had geworpen, en Hij nam wraak op 1.000.000 van hen. Duizend sterke en energieke mannen werden vernietigd vanwege één zuigeling van de kinderen van uw volk, die zij in de rivier hadden geworpen.
  15. En op de veertiende dag en op de vijftiende en op de zestiende en op de zeventiende en op de achttiende werd de prins Mastema gebonden en gevangen gezet achter de kinderen van Israël opdat hij hen niet zou beschuldigen.
  16. En op de negentiende lieten wij hen los, opdat zij de Egyptenaren zouden helpen en de kinderen Israëls zouden achtervolgen.
  17. En Hij verhardde hun harten en maakte hen koppig, en het plan werd door de Heer, onze God, bedacht, opdat Hij de Egyptenaren zou slaan en in zee zou werpen.
  18. En op de veertiende bonden wij hem, opdat hij de kinderen Israëls niet zou beschuldigen op de dag waarop zij de Egyptenaren vroegen om vaten en kleding, vaten van zilver, en vaten van goud, en vaten van brons, om de Egyptenaren te beroven, in ruil voor de slavernij, waarin zij hen hadden gedwongen om te dienen.
  19. En wij hebben de kinderen Israëls niet met lege handen uit Egypte laten wegtrekken.

Bron: Jubilees 48

Hoofdstuk - 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27| 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College