Het boek Jubileeën

Terugkeer van Abraham naar Hebron. Overlijden en begrafenis van Sara: 1-9. Huwelijk van Izaäk en tweede huwelijk van Abraham. Geboorte van Ezau en Jakob: 10-14. Abraham beveelt Jakob aan bij Rebekka en zegent hem: 15-31 (zie Gen. xxiii.1-4,11-16; xxiv.15; xxv.1-2,25-27; xiii.16).

Hoofdstuk 19

  1. En in het eerste jaar van de eerste jaarweek, tijdens de veertigste jubeljaarperiode keerde Abraham terug en woonde tegenover Hebron, dat is Kirjath Arba, twee jaarweken.
  2. En in het eerste jaar van de derde jaarweek van deze jubeljaarperiode werden de dagen van het leven van Sara volbracht, en zij stierf in Hebron.
  3. En Abraham rouwde over haar en begroef haar. En wij onderzochten hem [om te zien] of zijn geest geduldig was, en of hij niet verontwaardigd was in de woorden van zijn mond; en hij werd in deze geduldig bevonden, en was niet verontrust.
  4. Want in een geest van geduld sprak hij met de kinderen van Heth, met de bedoeling dat zij hem een plaats zouden geven om zijn doden te begraven.
  5. En de Heer gaf hem genade voor allen die hem zagen; en hij verzocht met zachtmoedigheid de zonen van Heth, en zij gaven hem het land van de dubbele grot tegenover Mamre, dat is Hebron, voor vierhonderd zilverstukken.
  6. En zij drongen er bij hem op aan, zeggende: Wij zullen het u voor niets geven, maar hij wilde het niet voor niets uit hun handen aannemen, want hij gaf de prijs van de plaats, het totale bedrag, en hij boog twee keer voor hen neer, en daarna begroef hij zijn dode in de dubbele grot.
  7. En al de dagen van het leven van Sara waren honderdzevenentwintig jaar, dat wil zeggen twee jubeljaarperioden en vier jaarweken en één jaar; dit zijn de dagen van de jaren van het leven van Sara.
  8. Dit is de tiende beproeving waarbij Abraham werd beproefd, en hij werd trouw bevonden, geduldig van geest.
  9. En hij sprak met geen woord over het gerucht in het land, dat God had gezegd dat Hij het aan hem en aan zijn zaad na hem zou geven; en hij smeekte om een plaats om daar zijn doden te begraven; want hij werd getrouw bevonden en op de hemelse tafelen vastgelegd als Gods vriend.
  10. En in het vierde jaar daarna nam hij een vrouw voor zijn zoon Izaäk en haar naam was Rebekka [2028 AM] [de dochter van Bethuel, de zoon van Nahor, de broer van Abraham], de zuster van Laban en de dochter van Bethuel; en Bethuel was de zoon van Milka, die de vrouw was van Nahor, de broer van Abraham.
  11. En Abraham nam een derde vrouw voor zich, en haar naam was Ketura, uit de dochters van zijn huisknechten, want Hagar was gestorven vóór Sara. En zij baarde hem zes zonen, Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Jisbak en Suah, in twee jaarweken.
  12. En in de zesde jaarweek, in het tweede jaar daarvan, baarde Rebekka voor Izaäk twee zonen, Jakob en Ezau.
  13. En [2046 AM] Jakob was een gelijkmatig en oprecht man, en Ezau was fel, een man van het veld, en behaard, en Jakob woonde in tenten.
  14. En de jongelingen groeiden op, en Jakob leerde schrijven, maar Ezau leerde het niet, want hij was een man van het veld en een jager, en hij leerde de strijd, en al zijn daden waren fel.
  15. En Abraham hield van Jakob, maar Izaäk van Ezau.
  16. En Abraham zag de daden van Ezau, en hij wist dat in Jakob zijn naam en zaad zou worden genoemd; en hij riep Rebekka en gaf haar een gebod met betrekking tot Jakob, want hij wist dat zij (te) veel van Jakob hield, veel meer dan van Ezau.

  17. En hij zei tot haar:
    'Mijn dochter, let op mijn zoon Jakob,
    want Hij zal in mijn plaats op aarde zijn,
    en tot een zegen temidden van de mensenkinderen,
    en voor de heerlijkheid van het gehele zaad van Sem.

  18. Want ik weet dat de Heer hem zal kiezen tot een volk dat Hij hem zal nemen tot een bezit voor Zichzelf, boven al de volken die op de aarde zijn.
  19. En zie, Izaäk mijn zoon houdt meer van Ezau dan van Jakob, maar ik zie dat u Jakob echt liefhebt.

  20. Voeg nog meer toe aan uw goedheid jegens hem,
    en laat uw ogen op hem rusten in liefde;
    want Hij zal voor ons op aarde een zegen zijn van nu aan tot in alle geslachten op aarde.

  21. Laat uw handen sterk zijn,
    en laat uw hart zich verblijden in uw zoon Jakob;
    want ik heb veel meer van hem gehouden dan van al mijn zonen.

    Hij zal voor eeuwig gezegend worden,
    en zijn zaad zal de gehele aarde vullen.

  22. Als een man het zand der aarde kan tellen,
    Zijn zaad zal eveneens zo worden geteld.

  23. En alle zegeningen, waarmee de Heer mij en mijn zaad gezegend heeft, zullen behoren tot Jakob en zijn zaad.
  24. En in zijn zaad zal mijn naam gezegend worden, en de naam van mijn vaderen, Sem, en Noach, en Henoch, en Mahalalel, en Enos, en Seth, en Adam.
  25. En deze zullen dienen

  26. om de fundamenten van de hemel te leggen,
    en om de aarde te versterken,
    en om alle hemellichamen die aan het firmament zijn te vernieuwen.'

  27. En hij riep Jakob voor de ogen van Rebekka zijn moeder, en kuste hem, en zegende hem, en zei:
  28. 'Jakob, mijn geliefde zoon, van wie mijn ziel houdt, moge God u zegenen van boven het firmament, en moge Hij u alle zegeningen geven waarmee Hij Adam gezegend heeft, en Henoch, en Noach en Sem; en alle dingen waarover Hij mij vertelde, en alle dingen die Hij mij beloofde te geven, moge Hij u en uw zaad voor eeuwig doen beklijven, naar de dagen van de hemel boven de aarde.
  29. En de geesten van Mastema zullen niet over u of over uw zaad heersen om u van de Heer af te keren, die uw God is van nu af aan en voor eeuwig.
  30. En moge de Heer God een vader voor u zijn, en voor uw de eerstgeboren zoon, en voor het volk altijd.
  31. Ga in vrede, mijn zoon.' En zij gingen beiden samen weg bij Abraham.
  32. En Rebekka hield van Jakob met heel haar hart en met heel haar ziel, heel veel meer dan van Ezau; maar Izaäk hield veel meer van Ezau dan van Jakob.

Bron: Jubilees 19

Hoofdstuk - 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College