Het boek Jubileeën

Korte inhoud Hoofdstuk 1

Mozes ontvangt de tafelen der wet en een instructie over de voorbije en toekomstige geschiedenis die hij moet inschrijven in een boek: 1-4. Afvalligheid van Israël: 5-9. Gevangenschap van Israël en Juda: 10-13. Terugkeer van Juda en herbouw van de tempel: 15-18. Mozes' gebed voor Israël: 19-21. Gods belofte om te verlossen en bij hen te wonen: 22-24,27. Mozes bevolen de toekomstige geschiedenis van de wereld te schrijven (het boek Jubileeën?): 25. En een engel om de wet op te schrijven: 26. Deze engel neemt de hemelse chronologische tabletten om daaruit Mozes te dicteren: 28.

Dit is de geschiedenis van de verdeling van de dagen van de wet en van het getuigenis van de gebeurtenissen van de jaren, van hun (jaar)weken, van hun Jubeljaarperioden [Jubileeën: perioden van 49 jaar, ofwel 7 jaarweken van 7 jaar per week] gedurende alle jaren van de wereld, zoals de Heer sprak tot Mozes op de berg Sinaï, toen hij opging om de tafels van de wet en van het gebod te ontvangen, volgens de stem van God toen Hij tot hem sprak: 'Kom op naar de top van de berg.'

[Hoofdstuk 1]

  1. En het geschiedde in het eerste jaar van de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, in de derde maand, op de zestiende dag van de maand, [2450 Anno Mundi] dat God sprak tot Mozes, zeggende: 'Kom op naar Mij op de berg, en Ik zal u twee stenen tafelen geven van de wet en van het gebod, die Ik heb opgeschreven, opdat u ze aan hen mag leren.'
  2. En Mozes klom op de berg van God, en de heerlijkheid van de Heer verbleef op de berg Sinaï, en een wolk overschaduwde hem zes dagen.
  3. En Hij riep Mozes op de zevende dag vanuit het midden van de wolk; en de verschijning van de heerlijkheid van de Heer was als een vlammend vuur op de top van de berg.
  4. En Mozes was op de berg veertig dagen en veertig nachten, en God leerde hem de eerdere en de latere geschiedenis van de indeling van al de dagen van de wet en van het getuigenis.
  5. En Hij zei: 'Neig uw hart tot elk woord, dat Ik tot u zal spreken op deze berg, en schrijf ze in een boek, opdat hun geslachten zullen zien hoe ik hen niet heb verlaten vanwege al het kwaad dat zij hebben bewerkt in het overtreden van het verbond dat ik opricht tussen Mij en u voor hun geslachten deze dag op de berg Sinaï.
  6. En zo zal het geschieden, wanneer al deze dingen over hen komen, dat ze zullen inzien dat ik meer rechtvaardig ben dan zij in al hun oordelen en in al hun acties, en ze zullen erkennen dat Ik werkelijk met hen ben geweest.
  7. Schrijf voor uzelf al deze woorden op die ik u heden verkondig, want ik ken hun rebellie en hun halsstarrige nek, voordat ik hen breng naar het land waarvan ik gezworen heb aan hun vaderen, Abraham en Izak en Jakob, zeggende: 'Aan uw zaad zal Ik een land geven, vloeiende van melk en honing.
  8. En zij zullen eten en verzadigd worden; en zij zullen zich tot andere goden wenden, naar (goden) die hen niet kunnen verlossen uit welke van hun verdrukkingen dan ook; en dit getuigenis zal gehoord worden tot een getuigenis tegen hen. Want zij zullen al mijn geboden vergeten, (zelfs) alles wat ik hen opdraag; en zij zullen wandelen als de heidenen, in hun onreinheid, in hun schaamte; en ze zullen hun goden dienen, en deze zullen hen verleiden tot overtreding en beproeving en een kwelling en een strik.
  9. En velen zullen omkomen, en zij zullen gevangen worden genomen, en zullen in de handen van de vijand vallen, omdat zij Mijn inzettingen en Mijn geboden verlaten, en de feesten van Mijn verbond, en Mijn sabbatten, en Mijn heilige plaats die Ik geheiligd heb voor Mij in hun midden, en Mijn tabernakel, en Mijn heiligdom, dat ik geheiligd heb voor Mijzelf in het midden van het land waar ik Mijn naam zal vestigen, en (daar) zal wonen.
  10. En zij zullen voor zich hoogten maken, en bossen en gesneden beelden, en zij zullen die aanbidden, ieder zijn eigen (gesneden beeld) en zo afdwalen, en zij zullen hun kinderen offeren aan demonen en aan al de werken van de afwijking van hun hart.
  11. En Ik zal getuigen tot hen zenden, die Ik tegen hen laat getuigen, maar ze zullen niet horen, en ze zullen de getuigen ook doden, en zij zullen hen vervolgen die de wet zoeken, en ze zullen alles afschaffen en veranderen om zo het kwade te doen voor mijn ogen.
  12. En Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen, en Ik zal hen overgeven in de hand van de heidenen in gevangenschap, en tot een prooi, en om te verslinden, en ik zal hen verwijderen uit het midden van het land, en Ik zal hen verstrooien onder de heidenen.
  13. En ze zullen al Mijn wetten vergeten en al Mijn geboden en Mijn recht, en zullen afdwalen van de nieuwe manen, en sabbatten, en feesten, en jubeljaren, en verordeningen.
  14. En daarna zullen zij zich naar Mij wenden, weg van de heidenen met hun ganse hart en met hun ganse ziel en met al hun kracht, en Ik zal hen vergaderen van onder alle heidenen, en zij zullen Mij zoeken, zodat Ik gevonden zal worden door hen wanneer zij Mij zoeken met hun ganse hart en met hun ganse ziel.
  15. En ik zal hen overvloedig vrede met gerechtigheid verstrekken, en Ik zal uit hen verwijderen de kern van trots, met heel Mijn hart en met heel Mijn ziel, en zij zullen tot een zegen zijn en niet tot een vloek, en zij zullen het hoofd worden en niet de staart.
  16. En Ik zal Mijn heiligdom bouwen in hun midden, en Ik zal bij hen wonen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn in waarheid en gerechtigheid.
  17. En Ik zal hen niet verlaten noch laten falen; want Ik ben de HEER, hun God.'

  18. En Mozes viel op zijn gezicht en bad en zei: 'O Heer, mijn God, verlaat Uw volk en Uw erfdeel niet, zodat ze moeten dwalen om de afwijking van hun hart, en laat ze niet blijven in de handen van hun vijanden, de heidenen, opdat die over hen heersen omdat zij tegen U zondigen.
  19. Laat Uw goedertierenheid, o Heer, over uw volk verheven zijn, en schep in hen een rechtvaardige geest, en laat niet de geest van Belial over hen heerschappij voeren om hen voor U te beschuldigen en hen uit het spoor der gerechtigheid te verlokken, zodat zij omkomen voor Uw aangezicht.
  20. Maar zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, dat Gij hebt uitgeleid met Uw grote kracht uit de handen van de Egyptenaren: schep in hen een zuiver hart en een heilige geest, en laat hen niet verstrikt raken in hun zonden, van nu aan tot in eeuwigheid.'
  21. En de Heer zei tot Mozes: 'Ik ken hun tegendraadsheid en hun gedachten en hun hardnekkigheid, en zij zullen niet gehoorzaam zijn, totdat zij hun eigen zonde en de zonde van hun vaderen belijden.
  22. En daarna zullen zij zich tot Mij wenden in alle oprechtheid, met heel (hun) hart en met (hun) hele ziel, en ik zal de voorhuid van hun hart en de voorhuid van het hart van hun zaad besnijden, en ik zal in hen een heilige geest scheppen, en Ik zal hen reinigen, zodat zij zich niet van Mij afwenden vanaf die dag tot in eeuwigheid.
  23. En hun ziel zal Mij en al Mijn geboden aankleven, en zij zullen Mijn geboden vervullen, en Ik zal hun Vader zijn en zij zullen mijn kinderen zijn.
  24. En zij zullen allen genoemd worden kinderen van de levende God, en elke engel en elke geest zal het weten, ja, zij zullen weten dat dit Mijn kinderen zijn, en dat ik hun Vader ben in oprechtheid en gerechtigheid, en dat Ik van hen houd.
  25. En gij, schrijf het op voor uzelf, al deze woorden die Ik u verkondig op deze berg, vanaf het eerste tot het laatste. En het zal geschieden in alle verdeling van de dagen in de wet en in het getuigenis, en in de jaarweken en de jubeljaarperioden tot in eeuwigheid, totdat Ik zal afdalen en bij hen wonen in eeuwigheid.'
  26. En Hij zei tegen de aartsengel: 'Schrijf voor Mozes, vanaf het begin van de schepping totdat Mijn heiligdom onder hen is gebouwd voor alle eeuwigheid.
  27. En de Heer zal verschijnen voor de ogen van allen, en allen zullen weten dat Ik de God van Israël ben en de Vader van alle kinderen van Jakob, en Koning op de berg Sion voor alle eeuwigheid. En Sion en Jeruzalem zullen heilig zijn.'
  28. En de aartsengel die voor het leger van Israël uitging, nam de tafels van de verdeling van het jaar - vanaf het moment van de schepping - van de wet en van het getuigenis van de jaarweken van de jubeljaren, overeenkomstig de individuele jaren, naar al de getallen van de jubeljaren [volgens de individuele jaren], vanaf de dag van de [nieuwe] schepping wanneer de hemelen en de aarde zullen worden vernieuwd en al hun schepping op basis van de machten van de hemel, en overeenkomstig de hele schepping van de aarde, totdat het heiligdom van de Heer zal worden gemaakt in Jeruzalem op de berg Sion, en alle hemellichamen vernieuwd worden voor genezing en voor vrede en voor zegen voor al de uitverkorenen van Israël, en dat het aldus zal zijn vanaf die dag en tot al de dagen van de aarde.

Bron: Jubilees 1

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College