Het boek Jubileeën

Ruben zondigt met Bilha: 1-9 (zie Gen. xxxv.21,22). Wetten met betrekking tot incest: 10-20. Jakobs kinderen: 21-23 (zie Gen. xxxv.23-27).

Hoofdstuk 33

  1. En Jakob vertrok en woonde in het zuiden van Migdal-Eder. En hij ging naar zijn vader Izaäk, hij en Lea, zijn vrouw, op de nieuwe maan van de tiende maand.
  2. En Ruben zag Bilha, Rachels dienstmaagd, en de bijvrouw van zijn vader, terwijl zij baadde in het water op een geheime plaats. En hij hield van haar.
  3. En hij verstopte zich 's nachts, en hij ging ['s nachts] het huis van Bilha binnen, en hij vond haar slapend, alleen op een bed in haar huis.
  4. En hij lag met haar, en zij ontwaakte en zag, en zie, Ruben lag met haar in het bed, en ze opende de kant van haar bedekking en hield hem vast, en riep, en ontdekte dat het Ruben was.
  5. En zij was beschaamd vanwege hem, en liet haar hand los van hem, en hij vluchtte.
  6. En zij treurde zeer over deze zaak, en vertelde het niet aan niemand.
  7. Maar toen Jakob terugkeerde en haar bezocht, zei zij tot hem: 'Ik ben niet rein voor u, want ik ben verontreinigd met betrekking tot u; want Ruben heeft mij verontreinigd, en heeft bij mij gelegen in de nacht, terwijl ik sliep, en het niet ontdekte totdat hij mijn rok wegnam en sliep met mij.
  8. En Jakob was buitengewoon vertoornd op Ruben, omdat hij bij Bilha had gelegen, omdat hij de bedekking van zijn vader had blootgelegd.
  9. En Jakob benaderde haar niet meer, omdat Reuben haar had verontreinigd. En wie de bedekking van zijn vader ontbloot, zijn daad is zeer slecht, want het is verschrikkelijk voor de Heer.
  10. Daarom is op de hemelse tafelen geschreven en geordineerd, dat een man niet bij de vrouw van zijn vader mag liggen, en zijn vaders bedekking niet mag ontbloten, want dit is onrein; zij zullen zeker samen sterven, de man, die bij de vrouw van zijn vader ligt, en de vrouw ook, want zij heeft onreinheid op aarde verwekt.
  11. En er zal niets onreins zijn voor onze God in het volk dat Hij voor Zichzelf heeft uitgekozen als een bezit.
  12. En opnieuw, er staat een tweede keer geschreven: 'Vervloekt is hij die met de vrouw van zijn vader ligt, want hij heeft de schaamte van zijn vader ontbloot.' En al de heiligen van de Heer zeiden: 'Zo zij het; zo zij het.'
  13. En u, Mozes, beveel de kinderen van Israël om dit woord na te leven, want het is onrein, en er is geen verzoening voor altijd voor de man die dit gedaan heeft, maar hij moet ter dood worden gebracht en gedood, en gestenigd met stenen, en uitgeroeid uit het midden van het volk van onze God.
  14. Want aan niemand die dat in Israël doet, is het toegestaan om nog een dag op aarde in leven te blijven, want hij is afschuwelijk en onrein.
  15. En laten zij niet zeggen: aan Ruben werd leven en vergeving verleend nadat hij bij de bijvrouw van zijn vader had gelegen; en ook voor haar, hoewel zij een man had, maar haar echtgenoot Jakob, zijn vader, leefde nog.
  16. Want tot die tijd was de verordening en het oordeel en de wet niet voor allen volledig geopenbaard, maar wel in uw dagen, als een wet van seizoenen en dagen, en een eeuwige wet voor de eeuwige generaties.
  17. En voor deze wet is er geen voltooiing van dagen, en geen verzoening ervoor, maar zij moeten beiden uit het midden van de natie uitgeroeid worden; op de dag, waarop zij haar begaan hebben, zullen zij hen doden.
  18. En u, Mozes, schrijf dit voor Israël neer, opdat zij het mogen eerbiedigen en naar deze woorden handelen, en geen zonde doen tot de dood; want de Heer, onze God is Rechter, die geen personen eerbiedigt en geen gaven aanneemt.
  19. En vertel hun deze woorden van het verbond, dat zij mogen horen en waarnemen, en ervoor op hun hoede mogen zijn, en niet vernietigd en uitgeroeid zullen worden uit het land; want een onreinheid, en een gruwel, en een besmetting, en een verontreiniging, zijn allen die dit op aarde voor onze God begaan.
  20. En er is geen grotere zonde dan de ontucht die zij op aarde begaan; want Israël is een heilige natie voor de Heer zijn God, en een natie van de erfenis, en een priesterlijke en koninklijke natie, en voor (zijn eigen) bezit; en er zal geen dergelijke onreinheid verschijnen in het midden van de heilige natie.
  21. En in het derde jaar van deze zesde jaarweek [2145 AM] gingen Jakob en al zijn zonen wonen in het huis van Abraham, bij Izaäk zijn vader en Rebekka zijn moeder.
  22. En dit waren de namen van de zonen van Jakob: de eerstgeborene Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Zebulon, de zonen van Lea; en de zonen van Rachel, Jozef en Benjamin; en de zonen van Bilha, Dan en Naftali; en de zonen van Zilpa, Gad en Aser; en Dina, de dochter van Lea, de enige dochter van Jakob
  23. En zij kwamen en bogen zich voor Izaäk en Rebekka, en toen zij hen zagen zegenden zij Jakob en al zijn zonen, en Izaäk verheugde zich zeer, want hij zag de zonen van Jakob, zijn jongere zoon en hij zegende hen.

Bron: Jubilees 33

Hoofdstuk - 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27| 28 | 29 | 30 | 31 | 32

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College