Het boek Jubileeën

Jakob vertrekt in het geheim: 1-4. Laban achtervolgt hem: 5-6. Verbond tussen Jakob en Laban: 7-8. Woonplaats van de Amorieten (de oude Refaïm) vernietigd in de tijd van de schrijver: 9-11. Laban vertrekt: 12. Jakob verzoend met Ezau: 13. Jakob stuurt vier keer per jaar voedsel naar zijn ouders in Hebron: 14-17, 19-20. Ezau trouwt opnieuw: 18. (zie Gen. xxxi.3,4,10,13,19,21,23,24,46,47; xxxii.22; xxxiii.10,16.)

Hoofdstuk 29

  1. En het geschiedde toen Rachel Jozef had gebaard, dat Laban zijn schapen scheerde; en zij waren op een afstand van drie dagreizen van hem verwijderd.
  2. En Jakob zag dat Laban zijn schapen ging scheren, en Jakob riep Lea en Rachel, en sprak vriendelijk tot hen, dat zij met hem naar het land Kanaän moesten komen.
  3. Want hij vertelde hun hoe hij alles in een droom had gezien, zelfs alles wat Hij tot hem had gesproken, dat hij zou terugkeren naar het huis van zijn vader. En zij zeiden: 'Wij zullen met u meegaan naar elke plaats, waar u ook heen gaat.
  4. En Jakob zegende de God van Izaäk, zijn vader, en de God van Abraham, zijn vaders vader. En hij stond op en nam zijn vrouwen en kinderen en al zijn bezittingen en stak de rivier over, en kwam in het land van Gilead. En Jakob verborg zijn bedoelingen voor Laban en zei het hem niet.
  5. En in het zevende jaar van de vierde jaarweek wendde Jakob (zijn gezicht)) in de eerste maand naar Gilead, op de eenentwintigste ervan [2135 AM]. En Laban achtervolgde hem en achterhaalde Jakob in de bergen van Gilead in de derde maand, op de dertiende ervan.
  6. En de Heer liet hem niet toe om Jakob te verwonden, want hij verscheen hem 's nachts in een droom. En Laban sprak met Jakob.
  7. En op de vijftiende van die dagen maakte Jakob een feest voor Laban, en voor allen die met hem kwamen, en Jakob zwoer voor Laban die dag, en Laban ook voor Jakob, dat geen van beiden de berg van Gilead zou oversteken naar de ander met kwade bedoelingen.
  8. En hij maakte er een steenhoop als een getuigenis; daarom heet de naam van die plaats: 'De Hoop van Getuigenis', na deze stapel.
  9. Maar dat was voordat zij het land van Gilead het land van Refaïm noemden, want het was het land van de Refaïm, en de Refaïmieten waren (daar) geboren, reuzen, die tien, negen, acht tot zeven ellen lang waren.
  10. En zij woonden daar, van het land van de kinderen van Ammon tot aan de berg Hermon, en de zetels van hun koninkrijk waren Karnaïm en Asteroth, en Edrei, en Misur, en Beon.
  11. En de Heer vernietigde hen vanwege het kwaad van hun daden; want zij waren zeer kwaadaardig. En de Amorieten woonden daar in hun plaats, goddeloos en zondig, en er is geen volk tot heden, dat al hun zonden ten volle heeft gewerkt, en zij hebben geen levensduur meer op aarde.
  12. En Jakob zond Laban weg, en hij vertrok naar Mesopotamië, het land in het Oosten, en Jakob keerde terug naar het land van Gilead.
  13. En hij ging over de Jabbok in de negende maand, op de elfde ervan. En op die dag kwam Ezau, zijn broeder, tot hem en hij werd met hem verzoend en vertrok van hem naar het land Seïr, maar Jakob woonde in tenten.
  14. En in het eerste jaar van de vijfde jaarweek van deze jubeljaarperiode [2136 AM] stak hij de Jordaan over, en woonde langs de Jordaan, en hij weidde zijn schapen vanaf de zee tot aan de steenhoop, tot Bethshan, en tot Dothan en tot het woud van Akrabbim.
  15. En hij zond naar zijn vader Izaäk van al zijn goederen, kleding, en eten, en vlees, en drinken, en melk, en boter, en kaas, en wat dadels uit de vallei.
  16. En aan zijn moeder Rebekka ook vier keer per jaar, tussen de tijden van de maanden, tussen het ploegen en oogsten, en tussen de herfst en de regen (seizoen) en tussen de winter en de lente, naar de toren van Abraham.
  17. Want Izaäk was teruggekeerd vanuit de Put van de Eed en ging naar de toren van zijn vader Abraham, en hij woonde daar, weg van zijn zoon Esau.
  18. Want in de dagen dat Jakob naar Mesopotamië ging, nam Ezau een vrouw Mahalath, de dochter van Ismaël, en hij verzamelde al de kudden van zijn vader en zijn vrouwen, en ging hogerop en woonde op de berg Seïr, en liet Izaäk zijn vader bij de Put van de Eed alleen.
  19. En Izaäk ging weg bij de Put van de Eed en woonde in de toren van Abraham, zijn vader, op de bergen van Hebron,
  20. En daarheen zond Jakob alles wat hij zond naar zijn vader en zijn moeder van tijd tot tijd, alles wat zij nodig hadden, en zij zegenden Jakob met heel hun hart en met heel hun ziel.

Bron: Jubilees 29

Hoofdstuk - 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27| 28

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College