Het boek Jubileeën

Rehu en Serug: 1 (zie Gen. xi. 20,21). Toename van oorlog en bloedvergieten en eten van bloed en afgoderij: 2-7. Nahor en Terah: 8-14 (zie Gen. xi. 22-30). Abrams kennis van God en wonderbaarlijke daden: 15-23.

Hoofdstuk 11

  1. En in de vijfendertigste jubeljaarperiode, in de derde jaarweek, in het eerste jaar daarvan [1681 AM], nam Rehu voor zichzelf een vrouw, en haar naam was Ora, de dochter van Ur, de zoon van Kesed, en zij baarde hem een zoon, en hij noemde zijn naam Seroh, in het zevende jaar van deze jaarweek in deze jubeljaarperiode [1687 AM].
  2. En de zonen van Noach begonnen oorlog tegen elkaar te voeren, gevangenen te nemen en elkaar te doden, en het bloed van mensen te vergieten op de aarde, en bloed te eten, en sterke steden te bouwen, muren, en torens, en enkelen (begonnen) met zichzelf boven de natie te verheffen met het stichten van koninkrijken, en met oorlog te voeren, mensen tegen mensen, en natie tegen natie, en stad tegen stad, en allen (begonnen) kwaad te doen, en wapens te verwerven, en hun zonen de oorlog te onderwijzen, en zij begonnen steden te veroveren, en mannelijke en vrouwelijke slaven te verkopen.
  3. En Ur, de zoon van Kesed, bouwde de stad Ara der Chaldeeërs, en noemde haar naam naar zijn eigen naam en de naam van zijn vader. En zij maakten voor zichzelf gegoten beelden, en zij aanbaden ieder de afgod, het gegoten beeld dat zij voor zichzelf hadden gemaakt, en zij begonnen gesneden beelden en onreine figuren te maken, en boosaardige geesten hielpen hen en verleidden [hen] tot het begaan van overtredingen en onreinheid.
  4. En de vorst Mastema oefende zichzelf om dit alles te doen, en hij zond andere geesten uit, die onder zijn macht waren gebracht, om allerlei onrecht en zonde te doen, en alle vormen van overtreding, en te verderven en te vernietigen, en bloed op de aarde te vergieten.
  5. Om deze reden noemde hij de naam van Seroh, Serug, aangezien iedereen voor zich begon met allerlei soorten zonde en overtredingen te doen.
  6. En hij groeide op en woonde in Ur der Chaldeeën, dicht bij de vader van zijn vrouw's moeder, en hij aanbad de afgoden, en hij nam voor zichzelf een vrouw in de zesendertigste jubeljaarperiode, in de vijfde jaarweek, in het eerste jaar daarvan [1744 AM], en haar naam was Melka, de dochter van Kaber, de dochter van zijn vaders broer.
  7. En ze baarde hem Nahor in het eerste jaar van deze jaarweek, en hij groeide op en woonde in Ur der Chaldeeën, en zijn vader leerde hem de onderzoekingen van de Chaldeeërs over het goddelijke en het waarzeggen volgens de tekenen van de hemel.
  8. En in de zevenendertigste jubeljaarperiode in de zesde jaarweek, in het eerste jaar daarvan [1800 AM], nam hij een vrouw voor zich en haar naam was Tjaska, de dochter van Nestag van de Chaldeeën.
  9. En zij baarde hem Terah in het zevende jaar van deze jaarweek [1806 AM].
  10. En de vorst Mastema stuurde raven en vogels om het zaad op te eten dat in het land werd gezaaid, om het land te vernietigen en de kinderen van de mensen van hun arbeid te beroven. Voordat ze het zaad in konden ploegen, pikten de raven [het] van het oppervlak van de grond.
  11. Daarom noemde hij zijn naam Terah, omdat de raven en de vogels hen tot armoede brachten en hun zaad hebben verslonden.
  12. En de jaren begonnen onvruchtbaar te worden, door de vogels, en zij verslonden alle vruchten van de bomen; het was slechts met grote inspanning dat zij in hun tijd een beetje van alle vruchten van de aarde konden redden.
  13. En in deze negenendertigste jubeljaarperiode, in de tweede week van de eerste jaarweek [1870 AM], nam Terah een vrouw voor zich en haar naam was Edna, de dochter van Abram, de dochter van zijn vaders zuster. En in het zevende jaar van deze jaarweek [1876 AM] baarde zij hem een zoon, en hij noemde zijn naam Abram, met de naam van de vader van zijn moeder;
  14. want deze was overleden voordat zijn dochter een zoon had ontvangen.
  15. En het kind begon de fouten van de aarde te begrijpen, dat allen zich wenden tot gesneden beelden en naar onreinheid. En zijn vader leerde hem schrijven; en hij was twee jaarweken oud [1890 AM], en hij wendde zich af van zijn vader, zodat hij met hem geen afgoden meer zou aanbidden.
  16. En hij begon te bidden tot de Schepper van alles, opdat Hij hem zou kunnen redden van de fouten van de mensenkinderen en dat zijn deel niet in de fout van onreinheid en verachting zou vallen.
  17. En de zaadtijd kwam voor het zaaien van het zaad op het land, en zij gingen allen samen voort om hun zaad tegen de raven te beschermen, en Abram ging verder met hen die gingen, en het kind was een jongen van veertien jaar.
  18. En een wolk van raven kwam om het zaad te verslinden, en Abram rende om hen te verjagen voordat zij zich op de grond zetten, en riep tot hen voordat zij zich op de grond zetten om het zaad te verslinden, en zei: "Daal niet neer: keer terug naar de plaats vanwaar jullie kwamen," en zij gingen terug.
  19. En hij zorgde ervoor dat de wolken van raven die dag zeventig keer terugkeerden, en van alle raven die in het hele land waren waar Abram was, daar landde er niet één meer.
  20. En allen die met hem waren in het hele land zagen hem schreeuwen en alle raven terug gaan; en zijn naam werd groot in het hele land van de Chaldeeën.
  21. En tot hem kwamen in dit jaar allen die wilden zaaien, en hij ging met hen mee tot de tijd van het zaaien stopte; en zij zaaiden op hun land; en dat jaar brachten zij genoeg graan naar huis en ze aten en waren tevreden.
  22. En in het eerste jaar van de vijfde jaarweek [1891 AM] onderwees Abram hen die werktuigen maakten voor ossen, de ambachtslieden in hout, en zij maakten een vat boven de grond, bovenop het frame van de ploeg, om het zaad daarin te plaatsen; en het zaad viel daaruit neer op de ploegschaar en werd verborgen in de aarde, en zij vreesden de raven niet langer.
  23. En daarna maakten zij [vaten] net boven de grond op alle ploegen, en zij zaaiden en bewerkten al het land zoals Abram hen beval, en zij vreesden de vogels niet meer.

Hoofdstuk 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10

Bron: Jubilees 11

Bron: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College