Het boek Jubileeën

De engelen van God trouwen met de dochters van de mensen: 1. Corruptie van heel de schepping: 2-3. Straf voor de gevallen engelen en hun kinderen: 4-9a. Definitief oordeel aangekondigd: 9b-16. Dag van verzoening: 17-18. De zondvloed voorspeld, Noach bouwt de ark, de zondvloed: 19-32. (Zie Gen. vi-viii. 19.)

Hoofdstuk 5

  1. En het geschiedde toen de mensenkinderen zich op aarde begonnen te vermenigvuldigen en dochters tot hen werden geboren, dat de engelen van God hen zagen, op een bepaald jaar van deze jubeljaarperiode, dat zij mooi waren om naar te kijken; en zij namen de vrouwen voor zichzelf uit allen die ze verkozen, en zij baarden aan hen zonen en zij waren reuzen.
  2. En wetteloosheid nam toe op aarde en al het vlees verdierf zijn weg, zowel mensen als het vee en beesten en vogels en alles wat op de aarde loopt - en allen verdierven hun wegen en hun orde, en ze begonnen elkaar te verslinden, en de wetteloosheid nam toe op aarde en alles bedenksels van de gedachten van alle mensen was voortdurend boos.
  3. En God keek naar de aarde, en zag dat het verdorven was, en alle vlees had zijn bevelen bedorven, en alles wat op aarde was, had alle soorten van kwaad voor Zijn ogen veroorzaakt.
  4. En Hij zei dat Hij zou vernietigen de mens en alle vlees op de aarde, dat Hij had geschapen.
  5. Maar Noach vond genade voor de ogen van de Heer.
  6. En over de engelen, die Hij op aarde had gezonden, was Hij buitengewoon verbolgen en Hij gaf het gebod om hen uit al hun heerschappij te ontwortelen en Hij beval ons om hen in de diepten der aarde te binden, en ziet, zij zijn gebonden in het midden van hen en ze zijn afgescheiden (gehouden).
  7. Een tegen hun zonen ging een bevel uit van vóór Zijn aangezicht, dat zij met het zwaard geslagen moesten worden, en van onder de hemel verwijderd moesten worden.
  8. Hij zei: 'Mijn geest zal niet altijd op de mens blijven; want zij zijn ook vlees en hun dagen zullen honderdentwintig jaar zijn'.
  9. En Hij zond Zijn zwaard in hun midden, opdat ieder zijn naaste zou doden en zij begonnen elkaar te doden totdat zij allen door het zwaard vielen en van de aarde werden vernietigd.
  10. En hun vaders waren getuigen (van hun verwoesting), en daarna werden zij voor eeuwig in het diepst van de aarde gebonden, tot de dag van de grote veroordeling, wanneer het oordeel wordt uitgevoerd over allen die hun wegen en hun werken voor de Heer hebben verdorven.
  11. En Hij vernietigde allen uit hun plaatsen, en er werd niet één van hen overgelaten, die Hij niet oordeelde naar al hun kwaadaardigheid.
  12. En hij maakte voor al Zijn werken een nieuwe en rechtvaardige natuur, zodat zij niet zouden zondigden in hun gehele natuur voor eeuwig, maar allen altijd rechtvaardig in zijn soort zouden zijn.
  13. Het oordeel van allen is verordend en geschreven op de hemelse tafelen in gerechtigheid - zelfs (het oordeel van) allen die van het pad afweken, dat is voorgeschreven om te lopen; en als zij daarin niet lopen, is het oordeel neergeschreven voor ieder schepsel en voor alle soorten.
  14. En er is niets in de hemel of op de aarde, of in het licht of de duisternis, of in de Sheol [dodenrijk] of in de diepte, of in de plaats van duisternis (die niet is geoordeeld); en al hun oordelen zijn verordend en geschreven en gegraveerd.
  15. In verband met alles wat Hij zal oordelen, het grote overeenkomstig zijn grootheid, en het kleine overeenkomstig zijn kleinheid, en elk overeenkomstig zijn weg.
  16. En Hij is niet iemand die de persoon (van wie dan ook) zal aanzien, noch is Hij iemand die geschenken zal aannemen, als Hij zegt dat Hij het oordeel zal uitvoeren over ieder; als iemand alles gaf wat op aarde is, Hij zal de geschenken of de persoon (van wie dan ook) niet aanzien, noch iets uit zijn handen aanvaarden, want Hij is een rechtvaardige rechter.
  17. [En van de kinderen Israëls is geschreven en opgedragen: Als zij zich tot hem wenden in gerechtigheid zal Hij al hun overtredingen vergeven en hun zonden vergeven.
  18. Het is geschreven en verordend dat Hij barmhartigheid zal tonen aan allen die zich elk jaar afwenden van al hun schuld.]
  19. En zoals voor al degenen die hun wegen en hun gedachten vóór de zondvloed verdierven, zo werd geen menselijk persoon aanvaard, behalve Noach alleen; want zijn persoon werd aanvaard ten behoeve van zijn zonen, die (God) gered heeft uit de wateren van de overstroming voor zijn verantwoording; want zijn hart was op al zijn wegen rechtvaardig, overeenkomstig hetgeen hem bevolen was, en hij was niet afgeweken van hetgeen hem was voorgeschreven.
  20. En de Heer zei dat Hij alles wat op aarde was, zowel mensen als vee, zou vernietigen,
  21. en de beesten, en het gevogelte in de lucht, en wat beweegt op de aarde. En Hij beval Noach om voor hem een ark te maken, opdat hij zich zou redden van het water van de overstroming.
  22. En Noach maakte de ark in alle opzichten zoals Hij hem opdroeg, in de zevenentwintigste jubeljaarperiode van de jaren, in de vijfde week van het vijfde jaar (op de nieuwe maan van de eerste maand) [1307 AM].
  23. En hij ging naar binnen in het zesde (jaar) daarvan [1308 AM], in de tweede maand, op de nieuwe maan van de tweede maand, tot de zestiende; en hij ging naar binnen; en ook alles wat wij tot hem brachten in de ark, en de Heer sloot hem van buiten af, op de zeventiende avond.
  24. En de Heer opende zeven sluisdeuren van de hemel.
  25. En de monden van de fonteinen van de grote diepte, zeven grote monden in aantal.
  26. En de sluisdeuren begonnen water uit de hemel te gieten, veertig dagen en veertig nachten.
  27. En de fonteinen van de diepten stuurden ook water op, totdat de hele wereld vol water zat.
  28. En de wateren op de aarde namen toe:
  29. Vijftien ellen steeg het water boven alle hoge bergen.
  30. De ark werd opgeheven boven de aarde.
  31. En hij bewoog op het oppervlak van de wateren.
  32. Het water overheerste op het oppervlak van de aarde vijf maanden - honderdvijftig dagen.
  33. En de ark kwam aan en rustte op de top van Lubar, een van de bergen van Ararat.
  34. En (op de nieuwe maan) in de vierde maand werden de fonteinen van de grote diepten gesloten en de sluisdeuren van de hemel werden in bedwang gehouden; en op de nieuwe maan van de zevende maand werden alle monden van de afgronden der aarde geopend, en het water begon af te dalen in de diepte beneden.
  35. En op de nieuwe maan van de tiende maand werden de toppen van de bergen gezien, en op de nieuwe maan van de eerste maand werd de aarde zichtbaar.
  36. Het water verdween van boven de aarde in de vijfde week van het zevende jaar [1309 AM] en op de zeventiende dag van de tweede maand was de aarde droog.
  37. Een op de zevenentwintigste daarvan opende hij de ark, en zond de beesten en het vee en de vogels uit, en alles wat bewoog.

Hoofdstuk 1 - 2 | 3 | 4

Bron: Jubilees 5

Bron: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College