Het boek Jubileeën

De geschiedenis van de tweeëntwintig verschillende handelingen van de schepping op de zes dagen: 1-16. Instelling van de Sabbat - de eerbiediging ervan door de hoogste engelen, met wie Israël achteraf is geassocieerd: 17-33. (Vgl. Gen I-II. 3.)

Hoofdstuk 2

  1. En de aartsengel sprak tot Mozes overeenkomstig het woord van de Heer: Schrijf de complete geschiedenis van de schepping op, hoe in zes dagen de Heer God klaar was met al Zijn werken en alles wat Hij geschapen heeft, en Sabbat hield op de zevende dag, en die heiligde voor alle tijden, en vaststelde als een teken voor al Zijn werken.
  2. Op de eerste dag schiep Hij de hemelen die boven zijn en de aarde en de wateren; en alle geesten die dienden voor Hem - de aartsengelen en de engelen van heiliging, en de engelen [van de geest van het vuur en de engelen] van de geest van de winden, en de engelen van de geest van de wolken, en van de duisternis, en sneeuw en hagel en rijp, en de engelen van de stemmen van de donder en de bliksem, en de engelen van de geesten van koude en warmte en van de winter en van de lente en van de herfst en van de zomer en van al de geesten van zijn schepselen, in de hemelen en op de aarde, (Hij schiep) de afgronden en de duisternis, de avondstond, en het licht, de dageraad en de dag, welke Hij heeft voorbereid naar de kennis van zijn hart.
  3. En daarna zagen we Zijn werken en prezen Hem en loofden vóór Hem vanwege al Zijn werken; want zeven grote werken schiep Hij op de eerste dag.
  4. En op de tweede dag schiep Hij het uitspansel in het midden der wateren, en de wateren werden gekliefd op die dag, zodat de helft ervan naar boven ging en de helft ervan ging naar onder het uitspansel (dat was) in het midden over het oppervlak van de gehele aarde. En dit was het enige werk dat (God) geschapen heeft op de tweede dag.
  5. En op de derde dag gebood Hij de wateren terug te gaan van het oppervlak van de hele aarde naar hun plaats, en het droge land kwam tevoorschijn.
  6. En de wateren deden zoals Hij hun gebood, en ze trokken zich terug van het oppervlak van de aarde naar een plaats buiten dit firmament, en het droge land verscheen.
  7. En op die dag schiep Hij alle zeeën op basis van hun afzonderlijke samengevloeide plaatsen, en alle rivieren, en de samenvloeiing van de wateren in de bergen en over de gehele aarde, en alle meren, en al de dauw van de aarde, en het zaad, dat gezaaid wordt, en alle kiemende dingen, en vruchtdragende bomen, en bomen van het bos en de tuin van Eden, in Eden alle planten naar hun soort.
  8. Deze vier grote werken schiep God op de derde dag. En op de vierde dag schiep Hij de zon en de maan en de sterren, en stelde ze aan het uitspansel van de hemel, om licht te geven op de aarde, en om te heersen over de dag en de nacht, en als scheiding van het licht van de duisternis.
  9. En God stelde de zon om een groot teken te zijn op de aarde voor de dagen en sabbatten, en voor maanden en voor feesten en voor jaren en voor jaarweken en voor Jubeljaren en voor alle seizoenen van het jaar.
  10. En dat scheidde het licht van de duisternis, [en] voor overvloed, dat alle dingen voorspoedig zouden opschieten en groeien op de aarde.
  11. Deze drie soorten maakte Hij op de vierde dag. En op de vijfde dag schiep Hij de grote zeemonsters in de diepten van de wateren, want dit waren de eerste dingen van vlees die zijn gemaakt door Zijn handen, de vissen en alles wat beweegt in de wateren, en alles wat vliegt, de vogels en al hun soort.
  12. En de zon kwam op over hen om (hen) te laten bloeien, en boven alles wat op aarde was, alles wat uitschiet uit de aarde, en alle vruchtdragende bomen en alle vlees.
  13. Deze drie soorten schiep Hij op de vijfde dag. En op de zesde dag schiep Hij de dieren van de aarde, en al het vee, en alles wat beweegt op de aarde.
  14. En na dit alles schiep Hij de mens, een man en een vrouw schiep Hij hen, en gaf hem heerschappij over alles wat op de aarde is, en in de zeeën, en over alles wat vliegt, en over de beesten en het vee, en over alles wat op de aarde kruipt, en over de gehele aarde, en over dit alles gaf Hij hem heerschappij.
  15. En deze vier soorten schiep Hij op de zesde dag. En daar waren slechts tweeëntwintig soorten.
  16. En Hij eindigde al zijn werk op de zesde dag - al wat in de hemelen is en op de aarde, en in de zeeën en in de afgronden, en in het licht en in de duisternis, en in alles.
  17. En Hij gaf ons een groot teken, de Sabbatdag, dat we zes dagen moeten werken, maar op de zevende dag sabbat houden van al het werk.
  18. En al de aartsengelen, en al de engelen van de heiliging, deze twee grote klassen - Hij heeft ons geboden om de Sabbat te houden met Hem in hemel en op aarde.
  19. En Hij zeide tegen ons: 'Zie, Ik zal voor Mij een volk afscheiden uit alle volken, en die zullen de Sabbat te houden, en Ik zal hen heiligen voor Mij als Mijn volk, en zal hen zegenen. Zoals Ik de Sabbatdag heb geheiligd en (het) heilig voor Mijzelf, zo zal Ik hen zegenen, en zij zullen mijn volk zijn en Ik zal hun God zijn.
  20. En Ik heb het zaad van Jakob uitgekozen onder alles wat Ik heb gezien, en heb hem beschreven als Mijn eerstgeboren zoon, en heb hem geheiligd voor Mij voor altijd en eeuwig. En Ik zal hen de Sabbatdag leren, zodat zij sabbat kunnen houden van al het werk.'
  21. En zo schiep Hij daarin een teken, waarmee zij de Sabbat op de zevende dag met ons mochten houden, om te eten en te drinken, en Hem te zegenen, die alles heeft geschapen, toen Hij voor Zichzelf een uitverkoren volk zegende en heiligde boven alle volkeren, en dat zij samen met ons sabbat zouden houden.
  22. En Hij deed Zijn bevelen opstijgen als een zoete geur, aanvaardbaar voor Hem, al de dagen...
  23. Er (waren) tweeëntwintig geslachten van de mensheid van Adam tot Jakob, en tweeëntwintig soorten werk werden er gemaakt tot aan de zevende dag; dit is gezegend en heilig; en het voormalige is ook gezegend en heilig; en het ene dient met het andere voor heiliging en zegen.
  24. En voor deze (Jakob en zijn zaad) werd het gegeven dat ze altijd de gezegenden en heiligen moeten zijn als het eerste getuigenis en wet, net als Hij de Sabbatdag had geheiligd en gezegend op de zevende dag.
  25. Hij schiep hemel en aarde en alles wat Hij geschapen had in zes dagen, en God heiligde de zevende dag, vanwege al Zijn werken; daarom beval Hij dat een ieder die daarop werkt zal sterven, en dat hij die het verontreinigt zeker zal sterven.
  26. Daarom, beveel de kinderen van Israël om deze dag te onderhouden, dat zij hem heilig moge houden en daarop geen werk mogen doen, en het niet mogen schaden, want hij is heiliger dan alle andere dagen.
  27. En wie hem ontheiligt, zal zeker sterven, en wie werk doet daarop, zal zeker sterven voor eeuwig, opdat de kinderen van Israël deze dag mogen onderhouden in hun geslachten en niet zullen worden uitgeroeid uit het land; want het is een heilige dag en een gezegende dag.
  28. En een ieder die hem in acht neemt en de Sabbat van al zijn werk houdt, zal heilig en gezegend zijn gedurende alle dagen, zoals wij.
  29. Verklaar en zeg tegen de kinderen van Israël dat ze de wet van deze dag van de Sabbat moeten onderhouden, en dat zij het niet verzaken door de afwijking van hun hart. (En) dat het niet geoorloofd is om enig werk te doen, wat onbetamelijk is, of daarop hun eigen plezier te doen, en dat ze daarop niets moeten bereiden dat gegeten of gedronken wordt, en (dat het niet geoorloofd is) om water te putten, of alle lasten binnenbrengen of meenemen door hun poorten, die ze niet hadden voorbereid op de zesde dag in hun woningen.
  30. En zij zullen niets binnenbrengen, noch meenemen van huis tot huis op die dag; want die dag is meer heilig en gezegend dan welke jubeljaardag van de Jubeljaren; Op deze dag hielden wij sabbat in de hemelen, voordat het aan ieder vlees bekend werd gemaakt om daarop sabbat op de aarde te houden.
  31. En de Schepper van alle dingen zegende het, maar Hij heiligde niet alle volkeren en naties om de Sabbat te houden, maar Israël alleen: hen alleen gaf Hij permissie om te eten en te drinken en de Sabbat te houden op de aarde.
  32. En de Schepper van alle dingen zegende deze dag, die Hij geschapen had voor zegen en heiligheid en heerlijkheid boven alle dagen.
  33. Deze wet en het getuigenis werd gegeven aan de kinderen van Israël als een wet voor altijd in hun geslachten.

Hoofdstuk 1

Bron: Jubilees 2

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College