Het boek Jubileeën

Adam benoemt alle schepselen: 1-3. Schepping van Eva en de inwerkingtreding van de reinigingswetten uit Leviticus: 4-14. Adam en Eva in het paradijs, hun zonde en uitwijzing: 15-29. Wet van bedekking van iemands schaamte vastgesteld: 30-31. Adam en Eva wonen in Elda: 32-35. (Gen. II.18-25, iii.)

Hoofdstuk 3

  1. En op de zesde dag van de tweede week brachten we, volgens het woord van God al de beesten naar Adam, en al het vee, en alle vogels, en alles wat beweegt op de aarde, en alles wat beweegt in het water, naar hun soort, en volgens hun types: de dieren op de eerste dag; het vee op de tweede dag; de vogels op de derde dag; en al hetgeen op de aarde kruipt op de vierde dag; en wat beweegt in het water op de vijfde dag.
  2. En Adam heeft ze allemaal genoemd met hun respectievelijke namen, en zoals hij ze noemde, zo was hun naam.
  3. En op deze vijf dagen zag Adam dit alles, mannelijk en vrouwelijk, volgens elke soort dat op aarde was, maar hij was alleen en vond geen hulp voor zich.
  4. En de Heer zei tot ons: 'Het is niet goed dat de mens alleen is: Laten we een hulp voor hem maken.'
  5. En de Heer, onze God liet een diepe slaap op hem vallen, en hij sliep, en Hij nam voor de vrouw een rib weg onder zijn ribben, en deze rib was de oorsprong van de vrouw, vanuit zijn ribben, en Hij bouwde er vlees voor in de plaats, en bouwde de vrouw.
  6. En Hij liet Adam uit zijn slaap ontwaken, en ontwakende stond hij op op de zesde dag, en Hij bracht haar tot hem, en hij kende haar, en zei tot haar: 'Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees; zij zal [mijn] vrouw worden genoemd; want ze werd genomen vanuit haar man.'
  7. Daarom zullen de mens en zijn vrouw één zijn en daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aanhangen; en zij zullen tot één vlees zijn.
  8. In de eerste week werd Adam geschapen, en de rib - zijn vrouw. In de tweede week liet Hij haar tot hem komen; en om deze reden werd het gebod gegeven om het te houden in hun verontreiniging, voor een man zeven dagen, en voor een vrouw tweemaal zeven dagen.
  9. En nadat Adam veertig dagen had voltooid in het land waar hij was geschapen, brachten wij hem in de hof van Eden om die te bewerken en te onderhouden, maar zijn vrouw brachten ze in op de tachtigste dag, en na deze is ze in de tuin van Eden ingevoerd.
  10. En om die reden wordt het gebod op de hemelse tabletten geschreven over haar die baart: indien zij van een man bevalt, zal zij zeven dagen in haar onreinheid blijven, overeenkomstig de eerste week der dagen, en dertig en drie dagen zal zij in het bloed van haar reiniging blijven, en zij zal geen geheiligd ding aanraken, noch in het heiligdom binnengaan, totdat zij deze dagen heeft volbracht die in het geval van een mannelijk kind zijn voorgeschreven.
  11. Maar in het geval van een vrouwelijk kind zal zij in haar onreinheid blijven gedurende twee weken, overeenkomstig de eerste twee weken, zesenzestig dagen in het bloed van haar reiniging, en zij zullen samen tachtig dagen zijn.'
  12. En wanneer zij deze tachtig dagen volbracht had, brachten wij haar in de tuin van Eden, want die is heiliger dan de hele aarde, en elke boom die daar is geplant is heilig.
  13. Daarom was er ten aanzien van haar die een mannelijk of vrouwelijk kind draagt, de verordening van die dagen bepaald, dat ze geen geheiligd ding behoort aan te raken, noch in het heiligdom binnengaan totdat die dagen voor het mannelijk of vrouwelijk kind zijn volbracht.
  14. Dit is de wet en het getuigenis dat werd opgeschreven voor Israël, opdat (zij) die in acht zouden nemen al de dagen.
  15. En in de eerste week van de eerste jubeljaarperiode, [dus 1-7 Anno Mundi (AM)] waren Adam en zijn vrouw in de tuin van Eden gedurende zeven jaren om die te bewerken en te onderhouden, en wij gaven hem werk en wij gaven hem de opdracht voor alles wat geschikt is om te doen voor de bewerking.
  16. En hij bewerkte (de tuin), en was naakt en wist het niet, en was niet beschaamd. En hij beschermde de tuin voor de vogels en de dieren en het vee, en verzamelde de vruchten en at ervan, en zette een overblijfsel opzij voor zichzelf en voor zijn vrouw [en zette opzij wat werd overgehouden].
  17. En na de voltooiing van de zeven jaren, die hij daar had voltooid, zeven jaar precies, [dus 8 Anno Mundi (AM)] en in de tweede maand, op de zeventiende dag (van de maand), kwam de slang en benaderde de vrouw, en de slang zei tegen de vrouw: 'Heeft God u geboden, zeggende: U zult niet eten van alle bomen in deze hof?'
  18. En zij zei tot hem: 'Van al de vruchten van de bomen van de tuin heeft God tot ons gezegd: eet. Maar van de vrucht van de boom die in het midden van de tuin staat, heeft God tot ons gezegd: U zult daarvan niet eten, noch die aanroeren, opdat u niet sterft.'
  19. De slang echter zei tot de vrouw: 'U zult geenszins sterven, maar God weet, dat op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en u als God zult wezen, en u zult goed en kwaad kennen.'
  20. En de vrouw zag de boom, dat deze begeerlijk en aangenaam was voor het oog, en dat de vrucht goed was als voedsel, en zij nam ervan en at.
  21. En toen ze voor het eerst haar schaamte bedekt had met vijgenbladeren, gaf ze daarvan aan Adam en hij at, en zijn ogen werden geopend, en hij zag dat hij naakt was.
  22. En hij nam vijgenbladeren en naaide (ze) samen, en maakte een schort voor zichzelf, en bedekte zo zijn schaamte.
  23. En God vervloekte de slang, en werd verbolgen over hem voor altijd.
  24. En Hij werd toornig op de vrouw, omdat ze geluisterd had naar de stem van de slang, en at; en Hij zei tot haar: 'Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk van uw pijnen: met smart zult u kinderen baren, en uw verlangen zal zijn naar uw man, en hij zal over u heerschappij hebben.'
  25. En tot Adam zei hij: 'Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw, en hebt gegeten van de boom waarvan Ik u gebood, dat u daarvan niet zou eten, vervloekt zij het aardrijk om uwentwil: doornen en distels zal het u voortbrengen, en u zult uw brood eten in het zweet uws aanschijns, totdat u terugkeert naar de aarde, waaruit u genomen bent; uit aarde bent u en tot aarde zult u weerkeren.'
  26. En Hij maakte voor hen vachten van vellen en bekleedde hen, en stuurde hen weg uit de Hof van Eden.
  27. En op die dag waarop Adam uit de Hof ging, bood hij als een offer een zoete reuk aan, wierook, galbanum, en stacte en specerijen in de ochtend met de opkomst van de zon vanaf de dag waarop hij zijn schaamte bedekte.
  28. En op die dag werden de monden van alle dieren gesloten, en van het vee, en van het gevogelte, en van alles wat liep, en wat beweegt, zodat ze niet meer konden spreken: want zij hadden daarvoor allen gesproken met elkaar met één taal en met één tong.
  29. En Hij zond alle vlees uit de Hof van Eden dat in de Hof van Eden was, en alle vlees werd verspreid naar zijn soort, en naar zijn types naar de plaatsen die voor hen waren gecreëerd.
  30. En alleen Adam gaf Hij (de middelen) om zijn schaamte te bedekken, van al de beesten en het vee.
  31. Hierom wordt op de hemelse tafelen voorgeschreven met betrekking tot al diegenen die het oordeel van de wet kennen, dat zij hun schande moeten bedekken, en zich niet ontbloten zoals de heidenen zich ontbloten.
  32. En op de nieuwe maan van de vierde maand, gingen Adam en zijn vrouw uit de Hof van Eden, en zij woonden in het land van Elda in het land van hun schepping.
  33. En Adam noemde de naam van zijn vrouw Eva.
  34. En zij hadden geen zoon tot aan het eerste jubilee [8 AM], en na deze had hij gemeenschap met haar.
  35. Nu bewerkte hij het land zoals hem was opgedragen in de Hof van Eden.

Hoofdstuk 1 | 2

Bron: Jubilees 3

Bron: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College