Het boek Jubileeën

Kainam ontdekt een inscriptie met betrekking tot de zon en sterren: 1-4. Zijn zonen: 5-8. Noach en zijn zonen verdelen de aarde: 10-11. Sems erfenis: 12-21. Chams erfenis: 22-24. Jafeths erfenis: 25-30. (Zie Gen. x)

Hoofdstuk 8

  1. In de negenentwintigste jubeljaarperiode, in de eerste week [1373 AM], nam in het begin daarvan Arfachsad voor zichzelf een vrouw en haar naam was Rasu'eja, de dochter van Susan, de dochter van Elam, en ze baarde hem een zoon in het derde jaar van deze jaarweek [1375 AM], en hij noemde zijn naam Kainam.
  2. En de zoon groeide op, en zijn vader leerde hem schrijven, en hij ging op zoek naar een plaats voor zichzelf waar hij voor zichzelf een stad kon verkrijgen.
  3. En hij vond een schrift dat vroegere (generaties) in de rots hadden gekerfd, en hij las wat er stond, en hij zette het op schrift en zondigde daardoor, want het bevatte de leer van de Wachters, volgens welke zij de voortekenen van de zon en maan en sterren waarnamen in al de hemeltekenen.
  4. En hij schreef het op en zei er niets over; want hij was bang om daar met Noach over te spreken uit vrees dat hij vanwege dit boos op hem zou zijn.
  5. En in de dertigste jubeljaarperiode [1429 AM], in de tweede jaarweek, in het eerste jaar ervan, nam hij zichzelf een vrouw en haar naam was Melka, de dochter van Madai, de zoon van Jafeth, in het vierde jaar [1432 AM]. Hij kreeg een zoon en noemde zijn naam Selah; want hij zei: "Waarlijk, ik ben gezonden."
  6. [En in het vierde jaar was hij geboren], en Selah groeide op en nam voor zichzelf een vrouw, en haar naam was Mu'ak, de dochter van Kesed, de broer van zijn vader, in de eenendertigste jubeljaarperiode, in de vijfde week van het eerste jaar [1499 AM] daarvan.
  7. En zij baarde hem een zoon in het vijfde jaar [1503 AM] daarvan, en hij noemde zijn naam Heber: en hij nam voor zichzelf een vrouw, en haar naam was Azurad, de dochter van Nebrod, in de tweeëndertigste jubeljaarperiode in de zevende jaarweek, in het derde jaar daarvan [1564 AM].
  8. En in het zesde jaar [1567 AM] daarvan, baarde zij hem een zoon, en hij noemde zijn naam Peleg; want in de dagen dat hij geboren werd, begonnen de kinderen van Noach de aarde onder elkaar te verdelen; om die reden noemde hij zijn naam Peleg.
  9. En zij deelden het heimelijk onder elkaar en ze vertelden het aan Noach.
  10. En het gebeurde in het begin van de drieëndertigste jubeljaarperiode [1569 AM], dat zij de aarde in drie delen verdeelden, voor Sem en Cham en Jafeth, overeenkomstig de erfenis van elk, in het eerste jaar van de eerste jaarweek, toen een van ons die was uitgezonden, bij hen was.
  11. En hij riep zijn zonen, en zij naderden tot hem, zij en hun kinderen, en hij verdeelde de aarde in kavels, die zijn drie zonen in bezit zouden nemen, en zij strekten hun handen uit, en namen het geschrift uit de boezem van Noach, hun vader.
  12. En er kwam voort op het geschrift als Sems aandeel het midden van de aarde, dat hij verkreeg als erfenis voor zichzelf en zijn zonen voor al de generaties tot in eeuwigheid, van het midden van de bergketen van Rafa, vanaf de monding van het water van de rivier Tina, en zijn deel gaat naar het westen toe door het midden van deze rivier, en het strekt zich uit tot aan het water van de afgronden, waarin deze rivier uitmondt en haar wateren in de zee Me'at vloeit, en deze rivier stroomt uit in de grote zee. En alles wat naar het noorden is, is voor Japheth, en alles wat naar het zuiden is, behoort toe aan Sem.
  13. En het strekt zich uit tot Karaso, dit is in de boezem van de tong die naar het zuiden kijkt.
  14. En zijn deel strekt zich uit langs de grote zee, en het strekt zich in een rechte lijn uit tot aan het westen van de tong die naar het zuiden kijkt: want deze zee heet de tong van de Egyptische Zee.
  15. En vanaf hier draait het naar het zuiden naar de monding van de grote zee aan de oever van (zijn) wateren, en het strekt zich uit tot aan Afra, en het strekt zich uit tot aan de wateren van de rivier Gihon, en ten zuiden van de wateren van Gihon, tot aan de oevers van deze rivier.
  16. En het strekt zich uit naar het oosten, tot aan de Hof van Eden, tot het zuiden daarvan, [tot aan de zuidkant] en vanuit het oosten van het hele land van Eden en van het gehele oosten, keert het zich naar het oosten, gaat voort tot het komt aan het oosten van de berg genaamd Rafa, en daalt af tot aan de oever van de monding van de rivier Tina.
  17. Dit deel kwam voort uit het lot voor Sem en zijn zonen, opdat zij het voor altijd en eeuwig voor al zijn generaties zouden bezitten.
  18. En Noach verheugde zich erover dat dit deel voor Sem en zijn zonen kwam en hij herinnerde zich alles wat hij met zijn mond in profetie had gesproken; want hij had gezegd: 'Gezegend zij de Heer God van Sem, en moge de Heer in de woning van Sem wonen.'
  19. Hij wist dat de Hof van Eden het heilige der heiligen en de woning van de Heer is, en de berg Sinaï het centrum van de woestijn, en de berg Zion - het centrum van de navel van de aarde; deze drie werden geschapen als heilige plaatsen tegenover elkaar.
  20. En hij zegende de God van de goden, die het woord van de Heer in zijn mond had geplaatst, en de Heer voor eeuwig.
  21. En hij wist dat een gezegend deel en een zegen tot Sem en zijn zonen was gekomen voor al de generaties voor eeuwig - het hele land van Eden en het hele land van de Rode Zee, en het hele land van het oosten en India, en op de Rode Zee en de bergen daarvan, en het hele land van Basan, en al het land van Libanon en de eilanden van Kaftur, en alle bergen van Sanir en Amana, en de bergen van Assur in het noorden, en al het land van Elam, Assur en Babel, en Susan en Ma'edai, en alle bergen van Ararat, en het hele gebied achter de zee, dat voorbij de bergen van Assur naar het noorden ligt, een gezegend en ruim land, en alles wat erin ligt is zeer goed.
  22. En voor Cham kwam het tweede deel voort, voorbij de Gihon naar het zuiden naar rechts van de Hof, en het strekt zich uit naar het zuiden en het strekt zich uit tot alle bergen van vuur, en het strekt zich naar het westen uit tot de zee van Atel en het strekt zich uit naar het westen tot het de zee van Ma'uk bereikt - de (zee) waarin alles wat niet werd vernietigd is neergedaald.
  23. En het gaat verder naar het noorden naar de grenzen van Gadir, en het gaat verder naar de kust van de wateren van de zee naar de wateren van de grote zee tot het nabij de rivier de Gihon komt, en gaat langs de rivier de Gihon tot het rechts van de Hof van Eden komt.
  24. En dit is het land dat voor Cham naar voren kwam als het deel dat hij voor eeuwig voor zichzelf en zijn zonen voor eeuwig voor al hun generaties zou bezitten.
  25. En voor Jafeth kwam voort het derde deel buiten de rivier Tina ten noorden van de uitstroom van zijn wateren, en het strekt zich noord-oostelijk uit tot de hele regio van Gog, en naar het gehele land ten oosten daarvan.
  26. En het strekt zich noordelijk uit naar het noorden, en het strekt zich uit tot de bergen van Qelt naar het noorden, en naar de zee van Ma'uk, en het gaat verder naar het oosten van Gadir tot het gebied van de wateren van de zee.
  27. Het strekt zich uit tot aan het westen van Fara en het keert terug naar Aferag, en het strekt zich oostelijk uit naar de wateren van de zee van Me'at.
  28. En het strekt zich uit tot het gebied van de rivier Tina in noordoostelijke richting tot aan de grens van het water in de richting van de berg Rafa, en keert zich om naar het noorden.
  29. Dit is het land dat kwam aan Jafeth en zijn zonen als het deel van zijn erfenis dat hij voor zichzelf en zijn zonen zou moeten bezitten, voor al hun generaties voor eeuwig; vijf grote eilanden, en een groot land in het noorden.
  30. Maar het is koud, en het land van Cham is heet, en het land van Shem is noch warm noch koud, maar het is van gemengde koude en hitte.

Bron: Jubilees 7

Hoofdstuk 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College