Het boek Jubileeën

Abraham vermaant zijn zonen en de zonen van zijn zonen om gerechtigheid te bewerken en de besnijdenis te onderhouden, en zich te onthouden van onzuiverheid en afgoderij: 1-10. Stuurt hen weg met giften: 11. Woonplaatsen van de Ismaëlieten en van de zonen van Ketura: 12-13. (zie Gen.xxv.5-6.)

Hoofdstuk 20

  1. En in de tweeënveertigste jubeljaarperiode, in het eerste jaar van de zevende jaarweek [2052 AM], riep Abraham Ismaël en zijn twaalf zonen, en Izaäk met zijn twee zonen, en de zes zonen van Ketura en hun zonen.
  2. En Hij gebood hun de weg van de Heer te volgen, dat zij gerechtigheid zouden bewerken, en hun naaste lief zouden hebben, en dat zij op deze wijze zouden handelen met alle mensen; dat zij elk zo ten opzichte van hen zouden wandelen, dat zij verstandig handelen en gerechtigheid doen op aarde.
  3. Dat zij hun zonen zouden besnijden in overeenstemming met het verbond dat Hij met hen had gesloten, en niet zouden afwijken ter rechter- of ter linkerhand van alle wegen die de Heer ons bevolen heeft; en dat wij ons verre zouden houden van alle ontucht en onreinheid, [en ons afkeren van alle ontucht en onreinheid onder ons].
  4. En indien een vrouw of dienstmeisje onder u ontucht pleegt, verbrandt haar dan met vuur en laat hen geen ontucht met haar plegen met hun ogen en hun hart; en laat hen geen vrouwen uit de dochteren van Kanaän tot zich nemen; want het zaad van Kanaän zal uit het land worden verdreven.
  5. En hij vertelde hen van het oordeel van de reuzen, en het oordeel van de Sodomieten, hoe zij vanwege hun boosaardigheid waren berecht, en vanwege hun ontucht en onreinheid en wederzijdse corruptie door ontucht waren gestorven.

  6. En behoed u voor alle ontucht en onreinheid,
    en voor alle vervuiling door zonde.

    Anders maakt u onze naam tot een vloek,
    en uw hele leven tot een aanfluiting,

    en worden al uw zonen vernietigd door het zwaard,
    en wordt u vervloekt als Sodom,
    en al wie van u overblijft als de zonen van Gomorra.

  7. Ik smeek u, mijn zonen, de God van de hemel lief te hebben.
    En houdt u vast aan al Zijn geboden.

    En wandel niet hun afgoden en hun onreinheden na,

  8. en maak voor uzelf geen gegoten of gesneden goden.

    Want zij zijn ijdelheid,
    en er zit geen geest in.

    Zij zijn werk van mensenhanden,
    en allen die vertrouwen in hen stellen, vertrouwen in niets.

  9. Dien hen niet, noch aanbid hen,
    Maar dient u de hoogste God en aanbidt Hem voortdurend.
    En hoop voor zijn gezicht altijd,
    en werk oprechtheid en gerechtigheid voor Hem,

    dat Hij vreugde in u mag hebben en u Zijn barmhartigheid mag schenken,
    en regen naar u toesturen 's morgens en 's avonds.

    En zegen al uw werken, die u op aarde hebt vervaardigd.
    En zegen uw brood en uw water.

    En zegen de vrucht van uw baarmoeder en de vrucht van uw land,
    en de kuddes van uw vee, en de kuddes van uw schapen.

  10. En u zult tot een zegen zijn op aarde.
    En alle volken van de aarde zullen u zoeken.

    En zegen uw zonen in mijn naam,
    dat zij gezegend mogen worden zoals ik ben.

  11. En hij gaf gaven aan Ismaël en zijn zonen en aan de zonen van Ketura, en stuurde hen weg van Izaäk zijn zoon; en hij gaf alles aan Izaäk zijn zoon.
  12. En Ismaël en zijn zonen, en de zonen van Ketura en hun zonen, gingen samen en woonden van Paran tot aan de ingang van Babylon in al het land dat is in de richting van het Oosten met uitzicht op de woestijn.
  13. En dezen vermengden zich met elkaar, en hun naam werd genoemd Arabieren, en Ismaëlieten.

Bron: Jubilees 20

Hoofdstuk - 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College