Het boek Jubileeën

Offer van Izaäk, Mastema te schande gemaakt: 1-13. Abraham weer gezegend: keert terug naar Berseba: 14-19 (zie Gen. xxii.1-19).

Hoofdstuk 18

  1. En God zei tot hem: 'Abraham, Abraham.' En hij zei: 'Zie, (hier) ben ik.'
  2. En Hij zei: 'Neem uw geliefde zoon, die u liefhebt, Izaäk, en ga naar het hoge land en offer hem op een van de bergen, die ik u zal aanwijzen.'
  3. En hij stond 's morgens vroeg op en zadelde zijn ezel, en nam twee jonge mannen mee, en Izaäk zijn zoon, en kliefde het hout voor het brandoffer, en hij trok naar de plaats op de derde dag en hij zag de plaats van ver.
  4. En hij kwam bij een waterput en zei tot zijn jongemannen: 'Blijft hier met de ezel, en ik en de jongen zullen gaan; en wanneer wij aanbeden hebben, zullen wij tot u terugkeren.'
  5. En hij nam het hout van het brandoffer en legde het op Izaäk, zijn zoon, en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij gingen beiden samen naar die plaats.
  6. En Izaäk zei tot zijn vader: 'Vader.' En hij zei: 'Hier ben ik, mijn zoon.' En hij zei tot hem: 'Zie, het vuur, en het mes, en het hout; maar waar is het schaap voor het brandoffer, vader?'
  7. En hij zei: 'God zal voor zichzelf een schaap voor een brandoffer ter beschikking stellen, mijn zoon. En hij trok naar de plaats van de berg van God.
  8. En hij bouwde een altaar, en hij plaatste het hout op het altaar, en bond Izaäk zijn zoon, en plaatste hem op het hout dat op het altaar was, en strekte zijn hand uit om het mes te nemen om Izaäk zijn zoon te doden.
  9. En ik stond voor hem, en voor de vorst Mastema, en de Heer zei: 'Gebied hem om niet zijn hand aan de jongen te slaan, noch hem iets aan te doen, want Ik heb gezien dat hij de Heer vreest.'
  10. En ik riep hem vanuit de hemel en zei tot hem: 'Abraham, Abraham.' En hij was doodsbang en zei: 'Zie, (hier) ben ik.'
  11. En ik zei tot hem: 'Leg uw hand niet op de jongen, noch doe hem iets, want nu heb Ik laten zien dat u de Heer vreest, en uw zoon niet hebt achtergehouden, uw eerstgeboren zoon, voor mij.'
  12. En de vorst Mastema werd te schande gemaakt. En Abraham hief zijn ogen op en keek rond, en zie, een ram gevangen .... met zijn horens. En Abraham ging en nam de ram en offerde hem aan als brandoffer in de plaats van zijn zoon.
  13. En Abraham noemde die plaats 'De Here heeft gezien,' zodat gezegd wordt op de berg heeft de Heer gezien: dat is de Berg Sion.
  14. En de Heer riep Abraham een tweede keer uit de hemel bij zijn naam, terwijl hij ons deed verschijnen om tot hem te spreken in de naam van de Heer.
  15. En Hij zei: 'Bij Mijzelf heb ik gezworen, zegt de Heer.

  16. Omdat u dit hebt gedaan,
    En Mij uw zoon niet onthouden hebt, uw geliefde zoon,
    zodat Ik u met zegen zal zegenen.

    En door vermenigvuldiging zal ik uw zaad vermenigvuldigen,
    als de sterren van de hemel, en als het zand aan de kust.

    En uw zaad zal de steden van zijn vijanden erven.

  17. En in uw zaad zullen alle volken van de aarde gezegend worden,

    omdat u Mijn stem hebt gehoorzaamd.
    En Ik heb aan allen laten zien, dat u Mij trouw bent in alles wat Ik u gezegd heb:

    Ga in vrede.'

  18. En Abraham ging naar zijn jongemannen, en zij stonden op en gingen samen naar Berseba, en Abraham [2010 AM] woonde bij de Bron van de Eed.
  19. En hij vierde dit feest elk jaar, zeven dagen met vreugde, en hij noemde dit het Feest van de Heer overeenkomstig de zeven dagen waarin hij ging en terugkeerde in vrede.
  20. En daarom is het verordend en geschreven op de hemelse tafelen met betrekking tot Israël en zijn zaad, dat ze dit feest zeven dagen moeten onderhouden met feestvreugde.

Hoofdstuk - 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17

Bron: Jubilees 18

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College