Het boek Jubileeën

Oorlog tussen Jakob en Ezau. Dood van Ezau en de nederlaag van zijn troepen: 1-10. Edom teruggebracht tot dienstbaarheid 'tot op de dag van vandaag': 11-14. Koningen van Edom: 15-24 (zie Gen. xxxvi.31-39).

Hoofdstuk 38

  1. En daarna sprak Juda tot Jakob, zijn vader, en zei tot hem: 'Span uw boog, vader, en zend uw pijlen en sla de tegenstander en de vijand neder; en dat u macht moge hebben, want wij zullen uw broer niet doden, want hij is zoals u.
  2. Toen spande Jakob zijn boog en stuurde de pijl en trof Ezau, zijn broer (in zijn rechter borst) en doodde hem.
  3. En opnieuw zond hij een pijl uit en sloeg Adoran de Arameeër in de linkerborst, en dreef hem achteruit en doodde hem.
  4. En toen gingen de zonen van Jakob uit, zij en hun knechten, en verdeelden zich in groepen aan de vier zijden van de toren.
  5. En Juda ging naar voren, en Naftali en Gad, met vijftig dienaren met hem aan de zuidzijde van de toren, en zij doodden alles wat zich voor hen bevond, en geen enkele persoon van hen ontsnapte.
  6. En Levi en Dan en Aser gingen uit aan de oostzijde van de toren, en vijftig (mannen) met hen, en zij doodden de strijders van Moab en Ammon.
  7. En Ruben en Issaschar en Zebulon gingen uit aan de noordzijde van de toren, en vijftig mannen met hen, en zij doodden de vechtende mannen van de Filistijnen.
  8. En Simeon en Benjamin, en Henoch de zoon van Ruben, gingen uit aan de westzijde van de toren, en vijftig (mannen) met hen, en zij doodden van Edom en van de Horieten vierhonderd mannen, dappere krijgers; en zeshonderd vluchtten, en vier van de zonen van Ezau vluchtten met hen, en lieten hun vader gedood achter, zoals hij was gevallen op de heuvel die in Aduram is.
  9. En de zonen van Jakob achtervolgden hen naar de bergen van Seïr. En Jakob begroef zijn broer op de heuvel die in Aduram is, en hij keerde terug naar zijn huis.
  10. En de zonen van Jakob verdrukten de zonen van Ezau hard in de bergen van Seïr, en bogen hun nek, zodat zij dienaren van de zonen van Jakob werden.
  11. En zij zonden hun vader (een woord), of zij vrede met hen moesten sluiten of hen moesten doden.
  12. En Jakob zond zijn zonen het woord dat zij vrede moesten sluiten, en zij maakten vrede met hen, en legden het juk van dienstbaarheid aan hen op, zodat zij Jakob en zijn zonen altijd eer zouden betuigden.
  13. En zij bleven Jakob eer bewijzen tot op de dag dat hij naar Egypte ging.
  14. En de zonen van Edom zijn het juk van dienstbaarheid, dat de twaalf zonen van Jakob hun hadden opgelegd niet kwijtgeraakt tot op de dag van vandaag.
  15. En dit zijn de koningen, die in Edom regeerden, voordat er een koning regeerde over de kinderen Israëls, in het land Edom.
  16. En Bela, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam van zijn stad was Dinhaba.
  17. En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah van Bozra, regeerde in zijn plaats.
  18. En Jobab stierf, en Husam, van het land Teman, regeerde in zijn plaats.
  19. En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, die Midian op het veld van Moab doodde, regeerde in zijn plaats, en de naam van zijn stad was Avith.
  20. En Hadad stierf, en Samla, uit Masreka, regeerde in zijn plaats.
  21. En Samla stierf, en Saul van Rahoboth (aan de) rivier, regeerde in zijn plaats.
  22. En Saul stierf, en Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
  23. En Baäl-Hanan, de zoon van Achbor stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats, en de naam van zijn vrouw was Mehetabeël, de dochter van Matred, de dochter van Mezahab.
  24. Dit zijn de koningen die heersten in het land van Edom.

Bron: Jubilees 38

Hoofdstuk - 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27| 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College