Het boek Jubileeën

Ezau's zonen verwijten hem dat hij ondergeschikt is aan Jakob en dwingen hem tot oorlog met de hulp van 4000 huurlingen tegen Jakob: 1-15. Jakob verwijt Ezau: 16-17. Antwoord van Ezau: 18-25.

Hoofdstuk 37

  1. En op de dag dat Izaäk, de vader van Jakob en Ezau stierf [2162 AM], hoorden de zonen van Ezau dat Izaäk het deel van de oudste aan zijn jongere zoon Jakob had gegeven en ze waren erg boos.
  2. En zij drongen bij hun vader aan en zeiden: 'Waarom heeft uw vader aan Jakob het deel van de oudste gegeven en is het aan u voorbij gegaan, hoewel u de oudste bent en Jakob de jongere?'
  3. En hij zei tot hen: 'Omdat ik mijn geboorterecht aan Jakob verkocht heb voor een kleine schaal linzen, en op de dag dat mijn vader mij uitstuurde om te jagen en iets te vangen en hem te brengen om te eten en te zegenen, kwam hij met bedrog en bracht mijn vader eten en drinken, en mijn vader zegende hem en stelde mij onder zijn hand.
  4. En nu heeft onze vader ons doen zweren, mij en hem, dat wij geen kwaad tegen elkaar zullen bedenken, niet tegen zijn broer, en dat wij beiden ieder in liefde en vrede met zijn broer zullen voortgaan en onze wegen niet zullen bederven.'
  5. En zij zeiden tot hem: 'Wij zullen niet naar u horen en vrede met hem sluiten; want onze kracht is groter dan zijn kracht, en wij zijn machtiger dan hij; wij zullen tegen hem ingaan en hem doden, en hem en zijn zonen vernietigen. En indien u niet met ons mee gaat, zullen wij u ook pijn doen.
  6. En nu, hoor naar ons: Laten we naar Aram en Filistea en Moab en Ammon gaan, en laten we voor onszelf uitgelezen mannen kiezen die vurig voor de strijd zijn, en laten we tegen hem ingaan en met hem vechten, en laten we hem van de aarde uitroeien voordat hij sterk wordt.'
  7. En hun vader zei tot hen: 'Ga niet heen en voer geen oorlog met hem, anders zult u voor hem vallen.'
  8. En zij zeiden tot hem: 'Dit is ook precies uw handelwijze vanaf uw jeugd tot op de dag van vandaag, en u hebt uw nek onder zijn juk gesteld.
  9. Wij zullen geen gehoor geven aan deze woorden.' En zij zonden naar Aram, en naar Aduram, de vriend van hun vader, en zij huurden samen met hen duizend vechters, uitgekozen krijgslieden.
  10. En er kwamen uit Moab en uit de kinderen van Ammon, zij die werden gehuurd, duizend uitgekozen mannen, en uit Filistea duizend uitgekozen mannen voor de oorlog, en uit Edom en uit de Horieten duizend uitgekozen strijdbare mannen, en uit de Kittim machtige krijgslieden.
  11. En zij zeiden tot hun vader: 'Ga met hen uit en leidt hen, anders zullen wij u doden.'
  12. En hij was vervuld van toorn en verontwaardiging, toen hij zag, dat zijn zonen hem dwongen vóór hen uit te gaan en hen tegen zijn broeder Jakob te leiden.
  13. Maar daarna gedacht hij al het kwaad dat in zijn hart verborgen lag tegen zijn broeder Jakob; en hij dacht niet aan de eed die hij aan zijn vader en zijn moeder had afgelegd, dat hij al zijn dagen geen kwaad tegen zijn broer Jakob zou beramen.
  14. En ondanks dit alles wist Jakob niet dat ze tegen hem opkwamen om te strijden, en hij rouwde om Lea, zijn vrouw, totdat zij heel dicht bij de toren aankwamen met vierduizend strijders en uitgekozen krijgslieden.
  15. En de mannen van Hebron zonden tot hem, en zeiden: 'Zie, uw broer is tegen u gekomen om u te bestrijden met vierduizend die het zwaard aangegord hebben, en zij dragen schilden en wapens.' Want zij hielden meer van Jakob dan van Ezau. Jakob was vrijgeviger en barmhartiger dan Ezau.
  16. Maar Jakob wilde het niet geloven totdat ze heel dicht bij de toren kwamen.
  17. En hij sloot de poorten van de toren; en hij stond op de kantelen en sprak tot zijn broer Ezau en zei: 'Edel is de troost waarmee u gekomen bent om mij te troosten voor mijn vrouw, die gestorven is. Is dit de eed die u aan uw vader en uw moeder zwoer voordat zij stierven? U hebt de eed verbroken; maar op het ogenblik dat u aan uw vader zweerde, was u veroordeeld.'
  18. En toen antwoordde Ezau en zei tot hem: "Noch de kinderen der mensen, noch de dieren der aarde hebben een eed van gerechtigheid, die zij, door te zweren, voor eeuwig hebben gezworen; maar zij verzinnen elke dag boosaardigheden tegen elkaar, en hoe ieder zijn tegenstander en vijand moge doden.
  19. En u haat mij en mijn kinderen voor eeuwig. En er is geen band van broederschap bij u waar te nemen.
  20. Hoor deze woorden die ik u verkondig:

    Indien de beer zijn huid kan veranderen en zijn haren zo zacht kan maken als wol,
    of indien het hoorns kan doen ontkiemen op zijn kop zoals de hoorns van een hert of een schaap,
    dan zal ik de band van de broederschap met u in acht nemen.
    En indien de borsten zich van hun moeder afsplitsten, want u bent voor mij geen broeder geweest.

  21. En indien de wolven vrede sluiten met de lammeren om ze niet te verslinden of geweld te doen,
    en als hun hart naar hen ten goede is,
    dan zal er vrede in mijn hart zijn jegens u.

  22. En als de leeuw de vriend van de os wordt en vrede met hem sluit,
    en als hij met hem onder één juk is gebonden en ploegt met hem,
    dan zal ik vrede met u sluiten.
  23. En wanneer de raaf wit wordt als de raza,
    weet dan dat ik u heb liefgehad
    en vrede met u zal sluiten.
    U zult uitgeroeid worden,
    en uw zonen zullen uitgeroeid worden,
    En er zal geen vrede zijn voor u.'

  24. En toen Jakob zag, dat hij (zo) boosaardig tegenover hem was gericht, met zijn hart en met heel zijn ziel om hem te doden, en dat hij was gekomen als het everzwijn, dat op de speer afkomt, die hem doorboort en hem doodt, en er niet voor terugdeinst,
  25. toen sprak hij tot de zijnen en tot zijn knechten om hem en al zijn metgezellen aan te vallen.

Bron: Jubilees 37

Hoofdstuk - 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27| 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College