Het boek Jubileeën

Jozefs plan om zijn broeders te laten blijven: 1-10. Juda's smeekbede: 11-13. Jozef maakt zich bekend aan zijn broers en stuurt hen terug voor zijn vader: 14-24 (zie Gen.xliv.3-10,12-18,27-28,30-32; xlv.1-2,5-9,12,18,20-21,23,25-28).

Hoofdstuk 43

  1. En hij deed zoals Jozef hem had gezegd en vulde al hun zakken voor hen met voedsel en stopte hun geld in hun zakken, en stopte de beker in Benjamins zak.
  2. En 's morgens vroeg vertrokken zij. En toen zij vandaar waren vertrokken, zei Jozef tot de rentmeester van zijn huis: 'Achtervolg hen, ren en grijp ze, en zeg: 'Voor het goede hebt u mij met het kwade beloond; u hebt van mij de zilveren beker gestolen, waaruit mijn heer drinkt.' En breng hun jongste broeder tot mij en haal hem snel op, voordat ik naar mijn rechtszaal ga.'
  3. En hij rende achter hen aan en zei tot hen deze woorden.
  4. En zij zeiden tot hem: 'God verhoede het dat uw knechten dit zouden doen, te stelen uit het huis van uw heer enig drinkgerei, en het geld dat wij ook voor het eerst in onze zakken vonden, dat brachten wij, uw knechten, uit het land Kanaän terug.
  5. Hoe zouden we dan enig drinkgerei stelen? Zie, hier zijn wij, en doorzoek onze zakken, en waar gij ook de beker in de zak van iemand onder ons vindt, laat hem gedood worden, en wij en onze ezels zullen uw heer dienen.'
  6. En hij zei tot hen: 'Zo niet, alleen de man, bij wie ik het vind, hij alleen zal ik nemen als een dienaar, en u zult in vrede terugkeren naar uw huis.'
  7. En terwijl hij in hun zakken aan het zoeken was, beginnend bij de oudste en eindigend bij de jongste, werd hij gevonden in Benjamins zak.
  8. En zij scheurden hun klederen, en laadden hun ezels, en keerden terug naar de stad en kwamen in het huis van Jozef. En zij bogen zich allen met hun gezichten op de grond voor hem.
  9. En Jozef zei tot hen: 'U hebt kwaad gedaan.' En zij zeiden: 'Wat zullen wij zeggen, en hoe zullen wij ons verdedigen? Onze heer heeft de overtreding van zijn dienaren ontdekt; zie, wij zijn de dienaren van onze heer, en onze ezels ook.'
  10. En Jozef zei tot hen: 'Ook ik vrees de Heer; gaat u naar uw huizen en laat uw broer mijn dienaar zijn, want u hebt kwaad gedaan. Weet u niet, dat een mens zich in zijn beker verheugt, zoals ik met deze beker? En toch hebt u hem van mij gestolen.'
  11. En Juda zei: 'O mijn heer, vergun mij, uw knecht, ik bid u om een woord voor het oor van mijn heer te spreken. Twee broers baarde de moeder van uw knecht aan onze vader: één ging weg en ging verloren en is niet weer gevonden. En hij alleen is overgebleven van zijn moeder, en uw knecht, onze vader, houdt van hem, en zijn leven is ook verbonden met het leven van deze (jongen).
  12. En het zal geschieden, wanneer wij tot uw knecht, onze vader, gaan, en de jongen is niet bij ons, dat hij zal sterven, en wij zullen onze vader met verdriet tot aan de dood brengen.
  13. Laat mij, uw knecht, in plaats van de jongen als een borg bij mijn heer blijven, en de jongen met zijn broers laten gaan. Want ik werd borg voor hem aan de hand van uw knecht, onze vader, en als ik hem niet terugbreng, zal uw knecht voor altijd de schuld voor onze vader aanhoren.'
  14. En Jozef zag dat zij allen in goedheid met elkaar overeenstemden, en hij kon zich het niet herinneren, en hij vertelde hun, dat hij Jozef was.
  15. En hij sprak met hen in de Hebreeuwse taal en viel om hun nek en huilde.
  16. Maar zij kenden hem niet en zij begonnen te huilen. En hij zei tot hen: 'Huil niet over mij, maar haast u en breng mijn vader tot mij. En u ziet dat het mijn mond is die spreekt en mijn ogen die mijn broer Benjamin zien.
  17. Want zie, dit is het tweede jaar van de hongersnood, en er zijn nog vijf jaren zonder oogst of vruchten van bomen of van ploegen.
  18. Komt snel hierheen, u en uw gezinnen, zodat u niet door de hongersnood omkomt, en treur niet om uw bezittingen, want de Heer heeft mij voor u uitgezonden om de dingen klaar te maken opdat velen mogen leven.
  19. En zeg tegen mijn vader dat ik nog leef. En u ziet dat de Heer mij heeft gemaakt als een vader voor Farao en een heerser over zijn huis en over heel het land Egypte.
  20. En vertel mijn vader al mijn heerlijkheid en al mijn rijkdommen en heerlijkheid die de Heer mij heeft gegeven.'
  21. En op bevel van de mond van Farao gaf hij hun wagens en voorzieningen voor onderweg, en hij gaf hen allen veelkleurige kleding en zilver.
  22. En aan hun vader stuurde hij kleding, zilver en tien ezels, die koren droegen, en hij stuurde hen weg.
  23. En zij gingen op en vertelden hun vader dat Jozef leefde en koren uitdeelde aan alle volken op aarde, en dat hij heerser was over het hele land Egypte.
  24. En hun vader geloofde het niet, want hij was buiten zichzelf in zijn denken. Maar toen hij de wagens zag die Jozef had gezonden, kwam het leven van zijn geest weer tot leven, en hij zei: 'Het is voor mij genoeg als Jozef leeft; ik zal er heengaan en hem zien voordat ik sterf.

Bron: Jubilees 43

Hoofdstuk - 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27| 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College