Het boek Jubileeën

Farao's dromen en hun uitlegging: 1-4. Verhoging van Jozef en zijn huwelijk: 5-13 (zie Gen. xli.1-5,7-9,14 vgl. 25,29-30,34,36,38-43,45-46,49.)

Hoofdstuk 40

  1. En in die dagen droomde Farao in één nacht twee dromen over een hongersnood, die in heel het land zou zijn, en hij ontwaakte uit zijn slaap en riep alle uitleggers van dromen, die in Egypte waren, en magiërs, en vertelde hen zijn twee dromen, en zij waren niet in staat (ze) te verklaren.
  2. En toen herinnerde de hoofdschenker zich Jozef, en sprak over hem tot de koning, en hij bracht hem uit de gevangenis, en hij vertelde zijn twee dromen aan hem.
  3. En hij zei tegen Farao dat zijn twee dromen één waren, en hij zei tot hem: 'Zeven jaren zullen komen (waarin er zal zijn) overvloed over heel het land Egypte, en daarna zeven jaren van hongersnood, een hongersnood zoals er niet is geweest in heel het land.
  4. En nu, laat Farao opzieners aanstellen in heel het land Egypte, en laat hen voedsel opslaan in elke stad gedurende de dagen van de jaren van overvloed, en dan er zal voedsel zijn voor de zeven jaren van hongersnood, en het land zal niet ten onder gaan door de hongersnood, want het zal zeer ernstig zijn.'
  5. En de Heer gaf Jozef gunst en barmhartigheid in de ogen van Farao, en Farao zei tot zijn dienaren. Wij zullen zo'n wijs en discreet mens als deze niet vinden, want de geest van de Heer is met hem.
  6. En hij benoemde hem tot de tweede in heel zijn koninkrijk en gaf hem gezag over heel Egypte, en deed hem rijden in de tweede wagen van Farao.
  7. En hij kleedde hem met zijden kleding, en hij legde een gouden ketting om zijn nek, en (een heraut) verkondigde voor hem ''El El wa Abirer", en plaatste een ring aan zijn hand en maakte hem heerser over zijn hele huis, en verhoogde hem, en hij zei tot hem: 'Alleen op de troon zal ik groter zijn dan u.'
  8. En Jozef regeerde over het ganse land Egypte en alle vorsten van Farao en al zijn dienaren; en allen die werkten voor de koning hielden van hem, want hij wandelde in oprechtheid, hij was zonder trots of arrogantie, en hij zag geen personen naar de ogen en nam geen geschenken aan, maar hij oordeelde in oprechtheid alle mensen van het land.
  9. En het land Egypte was in vrede voor Farao vanwege Jozef, want de Heer was met hem, en gaf hem gunst en barmhartigheid voor al zijn geslachten voor allen die hem kenden en die over hem hoorden; en Farao's koninkrijk was goed geordend, en er was geen tegenstander of kwaad persoon (daarin).
  10. En de koning noemde Jozefs naam Sefantifans, en gaf Jozef als vrouw de dochter van Potifar, de dochter van de priester van Heliopolis, de hoofdkok.
  11. En op de dag dat Jozef voor Farao stond was hij dertig jaar oud [toen hij voor Farao stond].
  12. En in dat jaar stierf Izaäk. En het gebeurde zoals Jozef had gezegd in de uitlegging van zijn twee dromen, zoals hij het had gezegd, er waren zeven jaren van overvloed over het hele land van Egypte, terwijl het land van Egypte overvloedig produceerde: een maat (produceerde) achttienhonderd maten.
  13. En Jozef verzamelde voedsel in elke stad tot ze vol koren zaten, totdat ze het niet meer konden tellen en meten vanwege zijn veelheid.

Bron: Jubilees 40

Hoofdstuk - 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27| 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College