Het boek Jubileeën

Geboorte van Mozes: 1-4. Aangenomen door Farao's dochter: 5-9. Doodt een Egyptenaar en vlucht (naar Midian): 10-12 (zie Exod. i.22; ii. 2-15).

Hoofdstuk 47

  1. En in de zevende jaarweek, in het zevende jaar, in de zevenenveertigste jubeljaarperiode [2303 AM], ging uw vader uit het land Kanaän, en u werd geboren in de vierde jaarweek, in het zesde jaar daarvan, in de achtenveertigste jubeljaarperiode; dit was de tijd van de beproeving van de kinderen van Israël.
  2. En Farao, de koning van Egypte, gaf een bevel over hen dat zij al hun mannelijke kinderen die werden geboren in de rivier moesten werpen.
  3. En zij wierpen hen gedurende zeven maanden erin, tot de dag, waarop u geboren werd.
  4. En uw moeder verborg u voor drie maanden, en zij vertelden over haar. En zij maakte een ark voor u, en bedekte deze met pek en asfalt, en legde het in de vanen aan de oever van de rivier, en zij plaatste u zeven dagen daarin, en uw moeder kwam 's nachts en zoogde u, en overdag bewaakte Mirjam, uw zuster, u voor de vogels.
  5. En in die tijd kwam Tharmuth, de dochter van Farao, baden in de rivier, en zij hoorde uw stem huilen; en zij zei tot haar dienstmaagden: breng het hier, en zij brachten u tot haar.
  6. En zij nam u uit de ark, en zij had medelijden met u.
  7. En uw zuster zei tot haar: 'Zal ik voor u een van de Hebreeuwse vrouwen roepen om deze baby voor u te verzorgen en te zogen?'
  8. En zij zei [tot haar]: 'Ga.' En zij ging en riep uw moeder Jochebed. En zij gaf haar loon, en zij verzorgde u.
  9. En daarna, toen u opgegroeid was, brachten zij u naar de dochter van Farao, en u bent haar zoon geworden, en uw vader Amram leerde u schrijven. En nadat u drie jaarweken voltooid had, brachten zij u naar het koninklijke hof.
  10. En u bracht drie jaarweken aan het koninklijke hof door tot aan de tijd [2351] dat u uitging en een Egyptenaar zag die uw vriend sloeg, die tot de kinderen van Israel behoorde, en u doodde hem en verborg hem in het zand.
  11. En op de tweede dag kwam u weer, toen twee van de kinderen van Israël samen streden, en u zei tot hem die kwaad deed: 'Waarom slaat u uw broeder?'
  12. En hij werd boos en verontwaardigd en zei: 'Wie heeft u tot een vorst en een rechter over ons gemaakt? Denkt u mij te doden, zoals u gisteren de Egyptenaar hebt gedood?' En u vreesde en vluchtte vanwege deze woorden.

Bron: Jubilees 47

Hoofdstuk - 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27| 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College