www.wimjongman.nl

(homepagina)


Het land voor de tijd - deel 23: Smithsonian's heldere begin

23 juli 2023 door SkyWatch Editor

()

Deel 1 - Deel 2 - Deel 3 - Deel 4 - Deel 5 - Deel 6 - Deel 7 - Deel 8 - Deel 9 - Deel 10 - Deel 11
Deel 12 - Deel 13 - Deel 14 - Deel 15 - Deel 16 - Deel 17 - Deel 18 - Deel 19 - Deel 20 - Deel 21 - Deel 22

Om de rol van het Smithsonian in dit alles volledig te begrijpen, moet je de basis begrijpen waarop het instituut is gebouwd.

James Smithson gaf alles wat hij had om een educatieve organisatie op Amerikaanse bodem op te richten en zijn redenering hiervoor is altijd grotendeels een mysterie gebleven (ondanks vele theorieën), omdat hij nooit echt in Amerika was geweest. Zijn testament was op zijn minst dubbelzinnig; hij specificeerde niet wat de organisatie zou zijn of zou moeten zijn; hij schreef alleen dat het zou zijn voor het vergroten van kennis en dat het de naam "Smithsonian Institution" moest krijgen. Uit de bewoordingen in Smithsons testament blijkt dat hij zich erg alleen in de wereld voelde, met zeer weinig banden met medemensen of familie (met uitzondering van één neef, aan wie hij al zijn land naliet), en als gevolg daarvan bleef het Smithsonian achter zonder enige opvolger of toezichthoudende entiteit, hoewel het tot stand kwam door de roem van één man zonder banden met de Amerikaanse regering. Hij had zelfs geen correspondent in de Verenigde Staten om toe te zien op de overdracht van het geld na zijn dood, noch vooraanstaande Amerikaanse collega's, noch een gewone vriend. Zijn geld werd dus gewoon overgelaten aan de natie van de V.S. zelf en aan zijn juridische team om uit te zoeken hoe het daar te krijgen en wat te zeggen nadat het was aangekomen (hoewel het geld uiteindelijk werd teruggehaald via voormalig procureur-generaal van de V.S. Robert Rush als reizende boodschapper). Dit was zeker een probleem voor de bureaucratische organisatoren op wier schouders het rustte om deze instelling op te richten, te proberen zich te houden aan de onbepaalde maar gedocumenteerde wensen van de donor en de idealen te handhaven van een man wiens persoonlijke waarden iedereen het beste kon raden. Vanwege de vage instructies van Smithson, juridische problemen die voortkwamen uit de algemene donatie van een buitenlander aan de regering van een andere natie, en deels door een unieke behandeling van de fondsen door het Amerikaanse Congres tijdens de regering van president Andrew Jackson, werd de Smithsonian zegel pas in februari 1847 goedgekeurd (bijna twintig jaar na de dood van Smithson).

Dus vanaf het allereerste begin stonden het Smithsonian en zijn missie onder toezicht van vele bijdragende stemmen uit een land/overheid die vreemd was aan de schenker, en nooit werd het overgelaten aan één enkele entiteit - of het nu een individu of een groep was - om een doel op te zetten en te handhaven dat een wazige oorsprong had. Volgens de historische literatuur van het Smithsonian,[i] gingen er acht jaar voorbij waarin leden van het Congres ruzie maakten over verschillende ideeën over hoe het geld geïnvesteerd moest worden. De meesten stelden voor om nieuwe schoolterreinen, bibliotheken, observatoria, tuinen, zoölogische onderzoekscentra, agrarische centra, kunstgalerijen en wetenschappelijke ontdekkingscentra op te richten.

Geleidelijk aan ontstond uit het idee dat voortkwam uit zo veel tegenstrijdige invalshoeken een unieke instelling omdat het uiteindelijk alle ideeën omvatte met één centraal aandachtspunt: het verzamelen van een verzameling artefacten, specimens, kunstwerken en allerlei educatieve materialen en doelen in nieuw opgerichte gebouwen waar ze zouden worden bewaard en gerangschikt voor het openbaar onderwijs. In deze gebouwen zouden ook veel educatieve conferenties, lezingen en seminars worden gehouden door beroemde professoren op het gebied van astronomie, geografie, geologie, mijnbouw, filosofie, wetenschap en scheikunde, landbouw, natuurlijke geschiedenis, Amerikaanse geschiedenis, beeldende kunst, oudheden en de studie van culturen over de hele wereld. Dus veel meer dan een eenvoudig "museum" was de oorsprong van het Smithsonian.

(Merk op dat het verhaal veel gecompliceerder is dan dit, en het gaat om de vijf jaar durende vorming van het "National Institute" - dat min of meer een elitegroep was van opiniërende, maar kritisch behulpzame, rijke donateurs voordat er een solide visie was vastgesteld. Toch kan de eenvoudige uitleg hierboven gezien worden als een sterk ingekorte weergave van hoe het Smithsonian uiteindelijk voeten in de aarde kreeg en zich uitbreidde tot het begin van wat het uiteindelijk werd, ondanks dat ik omwille van de ruimte veel stukjes van de puzzel heb weggelaten. De missie van het Smithsonian pingpongde vanaf de eerste dag onophoudelijk totdat het uiteindelijk gewoon werd wat Smithson wenste: een plaats waar kennis voor de mens werd gerespecteerd, bestendigd en gehandhaafd).

Na de oprichting in 1847 was het Smithsonian een bijennest van zoemende belangstelling en voortdurende groei, altijd toegewijd aan het vergroten van de wijsheid, het onderwijs en de intelligentie van de mensheid met duidelijke onbevooroordeelde en waarheidsgetrouwe transparantie. Er werden verkiezingen voor leiderschap gehouden die resulteerden in de uiteindelijke Raad van Regenten en hoofdsecretarissen. Van overal kwamen weldoeners om hun middelen voor de zaak te bundelen en sommigen traden in Smithsons voetsporen en vertrouwden hun waardevolle bezittingen toe aan de directeuren van het instituut, die deze bundelden in extra bezittingen en gebouwen, waaronder de eminente Smithsonian Library.

Toen kwamen de terpen....

De leer van John Wesley Powell

Al in 1867 trokken verkenningsteams in opdracht van het Smithsonian naar de canyons van Colorado, onder leiding van majoor John Wesley Powell. Hun onderzoek veranderde geleidelijk in geografisch, geologisch en antropologisch onderzoek en toen er in 1871 te weinig geld was, kwam de Amerikaanse regering met voorzieningen om door te gaan. Gedurende een aantal jaren zetten de teams hun onderzoek voort, waarbij ze het grootste deel van hun tijd en moeite staken in het bestuderen van "inheemse bewoners, en [het verzamelen van] uitgebreide verzamelingen die hun kunsten, talen, instellingen en overtuigingen vertegenwoordigden."[ii] Deze verzamelingen werden vervolgens naar het Smithsonian gebracht, waar ze verder werden bestudeerd en bewaard. In de zomer van 1874 werd het onderzoek overgedragen aan het Amerikaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken. Omdat het nu een federale onderneming was, trokken de belangrijkste leiders van het Smithsonian veel interesse in het project terug en stonden volgens de gewoonten onderzoeksmaterialen af aan het overzicht. Om de materialen onder toezicht van het Smithsonian te brengen en alle archieven en verslagen over de Noord-Amerikaanse Indianen officieel bij te houden, was een toezichthoudend bureau nodig en zo ontstond het Bureau of Ethnology.

Na de oprichting van het BAE lijkt het erop dat er een bevooroordeeld (vertaling: "dubieus") beleid van uitsluiting van artefacten werd ingevoerd onder leiding van de oprichter, majoor Powell, die tot dan toe de directeur was geweest van de verkenning en het onderzoek.

Powell's reputatie was hem voorbijgestreefd tegen de tijd dat de BAE werd opgericht, omdat hij beroemd was geworden door zijn verkenning van de Grand Canyon, dus zijn oordelen over de archeologische onderzoeken werden de belangrijkste autoriteit voor iedereen in het Smithsonian, maar ook voor de luisterende wereld. Het is helemaal geen geheim dat Powell uitzonderlijk geneigd was om alle concepten die onze bekende evolutiewetenschap uitdaagden weg te rationaliseren en hoewel dit de verwachte aanpak zou zijn voor velen in zijn positie, is het verrassend om te horen dat zijn reactie op de grote subsidie die door het Amerikaanse Congres werd gegeven aan de Division of Mound Exploration niet positief was.

De Indiaanse grafheuvels. Wie heeft ze gebouwd? Waarom waren ze daar? En waarom was er onlangs nieuws dat er botten in waren gevonden waarvan de grootte niet kon worden verklaard?

Uit Powells geschriften zou je kunnen opmaken dat hij alleen de etniciteit van inheemse stammen wilde bestuderen en niet opdringerig wilde zijn, wat zou kunnen verklaren waarom de subsidie niet resulteerde in zijn feestelijke reactie. Anderen hebben door de jaren heen echter zijn verklaringen gelezen en hebben begrijpelijkerwijs geconcludeerd dat Powell geloofde dat er dingen begraven lagen in die vreemde grafheuvels waarvan hij niet wilde dat de wereld ze te weten kwam, omdat anders alles wat we denken te weten over de geschiedenis van de mensheid onderuit zou worden gehaald. Waarom zou extra overheidsfinanciering anders slecht nieuws zijn? Elke echte onderzoeker zou de terpen enthousiast te lijf gaan in een streven naar authentieke wetenschap, gesteund door de overheid, niet met aarzeling of angst dat de wetenschap zou worden getart.

ARTIKEL GAAT VERDER ONDER VIDEO'S:

BOVENNATUURLIJKE PORTALEN WERELDWIJD VERBONDEN MET REUZEN? SMITHSONIAN DOOFPOT?

WAREN WACHTERS & GIANTS OUDE MEGALITHISCHE BOUWERS? ZE STAAN IN HET RAADSELACHTIGE BOEK VAN HENOCH - MOETEN WE HET VERTROUWEN?!

Toch werkte Powell mee aan de bedoelingen van de financiering, maar niet zonder een grote bezorgdheid te uiten over hoe de middelen zouden worden gebruikt. In 1882 werd het eerste BAE-rapport van Powell geschreven: On Limitations to the Use of Some Anthropologic Data. De titel op zich is al veelzeggend over zijn agenda. Er is geen analyse van een academicus voor nodig om te zien dat Powell, nog voordat de eerste zin van het rapport de ogen van de lezers sierde, al bezig was met het stellen van beperkingen aan het gebruik van de verzamelde gegevens op de onderzoekslocaties. Op de volgende pagina's zullen we naar zijn woorden kijken en nadenken over zijn intellectuele ondertonen en hoe hij zijn grote redevoering gebruikt om de kwestie van de reuzenbotten volledig en sluw te vermijden, wat leidde tot 150 jaar (en nog steeds) acceptatie door het publiek dat "reuzen op aarde" een kinderlijk, jeugdig en belachelijk concept is. (Houd in gedachten dat zijn rapport werd geschreven terwijl hij openlijk het bewijs van reuzenbotten erkende, zoals we in de volgende paragraaf zullen bespreken). Zijn rapport begint met:

Onderzoeken in deze afdeling zijn van groot belang en hebben een groot aantal werkers aangetrokken [noteer deze regel waarin verwezen wordt naar alle extra hulp, en onthoud al het geld dat hij ontvangt, omdat later zijn klachten over middelen prominent aanwezig zijn]; maar een algemeen overzicht van de massa's gepubliceerd materiaal laat het feit zien dat het gebruik waarvoor het materiaal is gebruikt niet altijd verstandig is geweest.]

In de monumenten uit de oudheid die overal in Noord-Amerika te vinden zijn, in kampen en dorpen, graven, terpen, ruïnes en verspreide kunstwerken, kan de oorsprong en ontwikkeling van kunst in het wilde en barbaarse leven op bevredigende wijze worden bestudeerd. Incidenteel kunnen ook aanwijzingen van gewoonten worden ontdekt, maar buiten dit zijn de gedane ontdekkingen vaak onrechtmatig gebruikt, vooral om de stammen van Noord-Amerika in verband te brengen met volkeren of zogenaamde rassen uit de oudheid in andere delen van de wereld [verwijzend naar degenen die grote botten in het gebied hebben gezien en een theorie hebben opgesteld over een verloren ras van reuzen]. Een kort overzicht van enkele conclusies die geaccepteerd moeten worden in de huidige stand van de wetenschap zal de nutteloosheid van deze pogingen aantonen. [Let specifiek op zijn woordkeuze hier. Hij schuwt het niet om termen te gebruiken die onweerlegbaarheid suggereren, zoals "conclusies die geaccepteerd moeten worden". Zijn positie als de vermaarde Grand Canyon ontdekkingsreiziger heeft inmiddels de eerbiedige aandacht van het hele land gekregen, dus als hij zegt dat iets zo is, dan is het zo - ongeacht de logica. Binnenkort meer over zijn logica].

Het is nu een vaststaand feit dat de mens al minstens vanaf het begin van het Quartair, en misschien al in het plioceen, wijd verspreid was over de aarde.

Als we de conclusie accepteren dat er maar één soort mens is, zoals soorten nu door biologen worden gedefinieerd, kunnen we redelijkerwijs concluderen dat de soort is verspreid vanuit een gemeenschappelijk centrum, omdat het vermogen om de strijd van het leven in alle klimaten met succes voort te zetten alleen toebehoort aan een hoogontwikkeld wezen; Maar dit oorspronkelijke thuis is nog niet met zekerheid vastgesteld, en als het ontdekt is, kunnen de migratielijnen van daaruit niet in kaart worden gebracht totdat de veranderingen in de fysieke geografie van de aarde van die vroege tijd tot het heden zijn ontdekt, en deze moeten worden vastgesteld op basis van puur geologisch en paleontologisch bewijs. De migraties van de mensheid vanuit dat oorspronkelijke thuis kunnen niet op een intelligente manier worden besproken totdat dat thuis is ontdekt en, verder, totdat de geologie van de aardbol zo grondig bekend is dat de verschillende fasen van haar geografie kunnen worden voorgesteld.

De verspreiding van de mens moet voor de ontwikkeling van de grofste kunsten hebben plaatsgevonden. Sinds die tijd heeft het aardoppervlak veel belangrijke veranderingen ondergaan. Alle bekende kampementen en dorpsplaatsen, graven, grafheuvels en ruïnes behoren tot dat deel van de geologische tijd dat bekend staat als het huidige tijdperk en zijn volledig na de periode van de oorspronkelijke verspreiding zoals blijkt uit geologisch bewijs.

Bij het bestuderen van deze oudheden is er veel onnodig gespeculeerd over de relatie tussen de mensen van wie ze getuigen en de indianenstammen die het land tijdens de historische periode bewoonden.

Het kan gezegd worden dat in de Pueblo's die ontdekt zijn in het zuidwestelijke deel van de Verenigde Staten en verder naar het zuiden door Mexico en misschien tot in Centraal-Amerika, stammen bekend zijn met een cultuur die net zo ver gevorderd is als de cultuur die in de ontdekte ruïnes te zien is. In dit opzicht is het dus niet nodig om te zoeken naar een extra-limitale oorsprong door verloren stammen voor kunst die daar tentoongesteld wordt.

Met betrekking tot de terpen die zo wijd verspreid liggen tussen de twee oceanen, kan ook gezegd worden dat er stammen bekend waren die terpen bouwden in de vroege geschiedenis van de ontdekking van dit continent en dat de overblijfselen van de ontdekte kunst in geen enkel opzicht uitblinken boven de kunst van de Indiaanse stammen die bekend zijn in de geschiedenis. Er is daarom geen reden voor ons om te zoeken naar een extra-limitale oorsprong door verloren stammen voor de kunsten die ontdekt zijn in de terpen van Noord-Amerika.[iii]

Op dit moment zijn we nog maar een pagina verder in Powell's rapport en we hebben al een aantal opzienbarende conclusies gelezen. Wie goed leest wat Powell zojuist heeft gezegd, kan golf na golf zien van de onmiddellijke en gebrekkige cirkelredenering in zijn argument. Powell suggereert dat:

1. We zouden onze tijd niet moeten besteden aan theorieën over oude reuzen als er echt werk aan de winkel is, namelijk het bestuderen van de Indianen. Al het andere is een verspilling van middelen.

Maar men zou kunnen tegenwerpen: Hoe kan het dat de studie van oude reuzen niet de allerhoogste prioriteit heeft van alle mensen in het veld en de hun gegeven middelen als deze ontdekkingen de fundamenten van onze bekende menselijke oorsprong en erfgoed, inclusief de Indianen, doen schudden? De belastingbetalende burgers van de Verenigde Staten wiens zuurverdiende dollars naar het onderzoek gaan, zouden het er niet mee eens zijn dat bewijs van deze aard een kleinigheid is. Dit zou het tegenovergestelde zijn van een verspilling van middelen.

2. De biologie heeft tot nu toe bewezen dat er maar één soort mens is, dus alles wat het tegendeel bewijst is standaard bewezen afkomstig te zijn van die biologische draad.

Maar je zou kunnen argumenteren: Ja, de biologie heeft dit bewezen op basis van het menselijk lichaam of de lichamen die we nu ter beschikking hebben om te bestuderen, maar als er nog een andere soort mens of mensachtige entiteiten zouden zijn, waarvan de terpen al hebben aangetoond dat ze bestaan (en Powell weet dat), dan zou onze huidige biologische kennis door zo'n ontdekking worden overtroefd en zou het bewijs worden geleverd dat er niet slechts één soort is. Of, op zijn minst, zou bewezen worden dat er een ras van dezelfde soort was dat alles wat we weten over hun evolutionaire ontwikkeling of kruisingspraktijken die een ander, groter mensenras creëerden, tart. Hoe dan ook, deze wetenschap en ontdekking zouden topprioriteit moeten zijn voor elk serieus archeoloog.

Bijvoorbeeld: De Saluki is één van de veertien oudste hondenrassen die bekend zijn en wordt "de koninklijke hond van Egypte" genoemd vanwege zijn associatie als de trouwe, rechterhand van de beste vriend van de Egyptische farao. (Hun overblijfselen zijn ook gemummificeerd gevonden, wat suggereert dat ze in hoog aanzien stonden). De Ibizan jachthond (zoals gezien op het graf van Toetanchamon) heeft een vergelijkbaar verhaal en beide rassen waren fitte, slanke, hoogbenige jagers. Als een archeologisch team vandaag de dag een Saluki/Ibizan jachthond kruising zou ontdekken die begraven ligt in de buurt van een oude piramide, dan zou zo'n vondst de fundamenten van alles wat we weten over de biologie van honden niet aan het wankelen brengen. Waarom? Omdat we weten dat er in die tijd wereldwijd minstens veertien hondenrassen waren die zich hadden kunnen voortplanten en een ander ras hadden kunnen voortbrengen, en onze moderne biologische wetenschap erkent nu 339 officiële hondenrassen, volgens de World Canine Organization.[iv] We zijn ons er al terdege van bewust dat een hond zich kan voortplanten met een andere hond en iets geheel nieuws kan creëren, maar het nageslacht is nog steeds een hond. Er is al veel geld gestoken in dergelijke wetenschap en de wereld staat niet op zijn kop elke keer als een fokker een nieuw en geweldig soort hond aankondigt voor hondenliefhebbers overal ter wereld. Mensen kunnen zich ook voortplanten naar hun eigen soort en interraciale nakomelingen voortbrengen, en dat is algemeen bekend. Dus ja, de biologie heeft bewezen dat wanneer iets naar zijn eigen soort voortbrengt, het nageslacht van die verbintenis van die soort is. Powell heeft tot nu toe gelijk.

Maar als de resten van een gigantisch geproportioneerde, vijftien kubieke centimeter hoge, Saluki-uitziende hond in de buurt van een piramide zouden worden gevonden, waarvan de afmetingen geen rekening houden met alles wat we weten over de evolutionaire ontwikkeling van honden, dan zou dat alles wat we weten over de biologie van honden op zijn grondvesten doen schudden. Elke serieuze bioloog zou dit beschouwen als een mogelijke link naar een compleet nieuwe biologische draad - of op zijn minst een extreme kruisingstactiek die werd toegepast door de Ouden, maar onbekend is in onze huidige wereld - totdat het tegendeel is bewezen... en het moet zeer serieus worden genomen. Simpelweg zeggen dat de enorme hondenbotten gewoon een andere hond voorstelden omdat de biologie heeft bewezen dat alle honden in het verleden van honden afstammen zou het toppunt zijn van opzettelijke, opzettelijke en nalatige onwetendheid. Circulaire logica. Als een ontdekking bewijst dat iets op een hond lijkt maar dat niet kan zijn, gebaseerd op de bekende biologie, dan moeten we eerlijk zijn: Onze biologie zou aan beperkingen onderhevig zijn en de "hond" zou wel eens geen hond kunnen zijn! Of het zou een hond kunnen zijn die gekruist is met een ander oud dier, wat getuigt van een DNA-manipulatie procedure uitgevoerd door een oude onbekende wetenschap. Hoe dan ook, het zou niet worden genegeerd door de wetenschappelijke gemeenschap. Het zou misschien worden weggemoffeld als de ontdekking wijst op iets waarvan wetenschappers niet willen dat de rest van de wereld het weet, maar het zou niet worden genegeerd.

Waarom zou Powell dan, wanneer er een ontdekking wordt gedaan die getuigt van ditzelfde concept met betrekking tot mensen, deze afschrijven met een verklaring die suggereert dat wetenschap uit het verleden iets bewijst over wat dan ook? Bij gebrek aan een nieuwe ontdekking wordt onze primitieve wetenschap vervangen door nieuwe wetenschap en worden alle feiten van vroeger bijgewerkt. Toch gebruikt Powell oude wetenschap om te voorkomen dat we onze kennisbasis bijwerken? Dat druist in tegen het gezond verstand en alles waar het Smithsonian voor staat. Door te verwijzen naar biologische gegevens die alleen betrekking hebben op mensen van normale grootte en deze toe te passen op reusachtige botten, insinueert Powell dat de botten grotendeels irrelevant zijn, dat we al alles over ze weten en dat alle tijd en middelen die besteed worden aan het bestuderen ervan inefficiënt zijn.

Voor een man die prat ging op exploratie en doorbraak, waren Powells concepten ofwel pijnlijk primitief, of er was iets in die heuvels waarvan hij niet wilde dat de wereld het wist.

3. Bewijs voor de migratie van deze zogenaamde oude reuzen van het ene gebied naar het andere kan niet in kaart worden gebracht totdat we kunnen bestuderen hoe de vlakten van de aarde zijn verschoven sinds de migratie, en deze studies moeten alleen worden uitgevoerd door middel van "puur geologisch en paleontologisch bewijsmateriaal". We kunnen niet "intelligent" discussiëren over potentiële reuzen "totdat [hun] thuis is ontdekt en, verder, totdat de geologie van de aarde zo grondig bekend is dat de verschillende fasen van haar geografie kunnen worden voorgesteld."

Maar men zou kunnen tegenwerpen: Wordt het niet juist aan mensen in Powells positie overgelaten om de geologie van de aardbol te onderzoeken en zijn bevindingen te presenteren met het uitdrukkelijke doel van overleg binnen de "intelligente," wetenschappelijke gemeenschap? Ja, we zijn het er over eens dat we niet "intelligent" over deze dingen kunnen praten totdat het onderzoek genoeg heeft opgeleverd om over te discussiëren. Maar voor het geval Powell het nog niet gemerkt had, verkenning is precies zijn taakomschrijving en hij wordt beschouwd als de expert op zijn gebied wiens taak het is om onderzoek te leveren aan zowel het publiek via het Smithsonian als aan de wetenschappelijke gemeenschap die hongerig is naar de bevindingen die hij opgraaft. Misschien is cartografie niet zijn afdeling, maar nogmaals, voor het geval hij het nog niet gemerkt had, hij is het hoofd van een overvloed aan afdelingen op verwante gebieden die gesteund worden door het almachtige Smithsonian (dat een actieve rol speelt in de accumulatie van "geologisch en paleontologisch bewijs") en gefinancierd worden door de almachtige Amerikaanse overheid. We kunnen niet intelligent worden omdat het in kaart brengen nog niet is gedaan. Als Powell invloed had in het veld, dan was het zijn verantwoordelijkheid om het in kaart brengen te ondersteunen, niet te ontmoedigen, maar hier stuurt hij duidelijk de aandacht weg van het in kaart brengen. Zijn reden? Omdat het nog niet gedaan is door de mensen die hij kan beïnvloeden om dat doel te bereiken? Omgekeerde logica.

Als Powell niet de intentie had om verwant onderzoek in zijn vakgebied te doen, waarom ging hij dan op ontdekkingsreis?

Als "geologisch en paleontologisch bewijs" de enige manier is waarop we echte antwoorden zullen vinden, dan is dat geen geldig argument om niet te proberen het in kaart te brengen zodat we geen middelen verspillen die gebruikt hadden kunnen worden om de Indianen te documenteren. Sterker nog, als het bewijs leidt tot een revolutionaire sprong in de wetenschap voor de hele mensheid met de Indianen in het geografische centrum van dit alles, dan is dat juist een argument waarom we onze middelen zouden moeten steken in het in kaart brengen van de voetafdrukken van een mogelijk oud ras van wezens die temidden van de Indianen leefden.

4. Van stammen is "bekend" dat ze even ver gevorderd zijn als alle andere in ontdekte oude ruïnes. Daarom "is het niet nodig om via verloren stammen te zoeken naar een extra-limitale oorsprong voor alle kunst die daar wordt tentoongesteld." En omdat we weten dat deze stammen terpen bouwden, is er geen reden om de terpen toe te schrijven aan een ander ras.

Maar men zou kunnen argumenteren: Dit is misschien wel de ergste van Powells onlogische beweringen. En ja, dat lees je goed. Hij zegt in wezen dat, omdat de stammen "bekend" staan als geavanceerd, het niet nodig is om naar een verklaring te zoeken waarom of hoe ze zo geavanceerd waren of dat er een oud verloren ras van reuzen bij betrokken was, omdat we geen bewijs hebben om die verzinsels te ondersteunen. Als het op een hond lijkt, moet het wel een hond zijn, want de oude biologische wetenschap wordt niet bijgewerkt. Als het erop lijkt dat de anders zo primitieve en nomadische Indianen veel intelligenter waren dan al onze andere archeologische vondsten kunnen bewijzen, dan waren ze geavanceerd, want de oude antropologische wetenschap wordt niet bijgewerkt.

ARTIKEL GAAT VERDER ONDER VIDEO'S:

SLANGENHEUVELS GEVONDEN BIJ HET GILGAL REPHAIM 'REUZENRAD'

BEWIJS VAN NEPHILIM REUZEN & REPTILIANS GEVONDEN OVER DE HELE WERELD?

Wauw...als de verantwoordelijkheid voor exploratie en ontdekking daar stopt, dan zitten we allemaal in de problemen.

En waar je het met Powell eens zou kunnen zijn dat de heuvels van menselijke indianen afkomstig kunnen zijn omdat het, nogmaals, "bekend" was dat zij ze bouwden, schiet die theorie tekort voor een echt intelligent gesprek wanneer er voor het eerst enorme botten in de heuvels worden gevonden. De centrale vraag hoeft niet te zijn wie de heuvels heeft gebouwd, want als het Powell uitkomt om te zeggen dat de Indianen ze hebben gebouwd, prima. Ik geef het toe. Laten we zeggen dat de Indianen de heuvels bouwden. Dat doet er eerlijk gezegd niet toe. Nu komen we bij de natuurlijke volgende vraag: Waarom begroeven Indianenstammen in de oudheid reusachtige menselijke botten en wie waren deze reuzen voor de Indianen? Als de grote en invloedrijke Powell de onderzoeksteams heeft ontmoedigd om ooit de heuvels op te graven en te bestuderen, dan zullen we met deze vragen altijd in het duister tasten.

Misschien hebben al deze "Smithsonian cover-up complottheoretici" dan toch iets op het spoor wanneer ze suggereren dat Powell zijn "we weten al wie ze gebouwd heeft" invalshoek gebruikte om te voorkomen dat de wereld ooit de waarheid te weten zou komen over de reuzen die hij verborgen wilde houden. Dat Powell zijn teams wegstuurde van deze begraafplaatsen met de bewering dat hij respectvol en niet opdringerig wilde omgaan met een oude Indiaanse cultuur lijkt een nobel streven - en het is een streven waarvoor velen hem vanaf die dag vereerden. Maar hij omzeilde het echte probleem en dat wist hij. Het publiek is duidelijk minder geïnteresseerd in wie er met zand strooide dan in wiens massieve lichamen eronder begraven lagen. Maar door Powell's innemende standpunt dat het een groot onrecht voor de Indianen zou zijn als er met deze grond geknoeid werd, heeft hij in feite de geheimen in de grond opgesloten, gehuld in wat alleen maar een valse bezorgdheid over cultureel respect kan zijn, gezien het enthousiasme dat iemand in zijn onderzoeksveld normaal gesproken zou voelen als hij de kans kreeg om echt archeologisch bewijs van de "reus" - een van 's werelds meest angstaanjagende wezens uit de mythe - op te graven en te bestuderen!

We hebben hier niet de ruimte om een woord-voor-woord analyse te geven van Powell's bevooroordeelde rapport, omdat het nogal lang is. Zijn argumenten blijven echter onwetendheid of een clandestiene agenda vertonen. Een paar voorbeelden van de conclusies van zijn rapport, in de volgorde waarin hij ze aanhaalde:

Afbeeldingen: Powell erkent openlijk dat sommige van de pictogrammen op oppervlakken in en rond deze vindplaatsen "minder conventioneel" zijn. Tekeningen van een klein mensje naast een reus met zes vingers en zes tenen of een mond met twee rijen tanden passen zeker in deze categorie. Powell's mening over deze tekeningen is echter, simpel gezegd, dat ze geen bewijs zijn van iets meer dan fantasierijke etsen van een volk dat nog maar net leerde om hun leven te documenteren door middel van primitief creatief schrijven. Hij verklaart dat de conventionele en minder conventionele geschriften soms naast elkaar voorkomen, dat "er nooit perfecte verslagen zijn gemaakt."[v] Met andere woorden, het is niet te zeggen wat fantasierijk, vroeg, fictief "creatief schrijven" is versus wat historische documentatie is van het leven dat ze leefden en de rassen waarmee ze omgingen. "Daarom," zegt Powell, "zal men zien dat het onwettig is om enig pictografisch materiaal van een eerdere datum dan de ontdekking van het continent door Columbus te gebruiken voor historische doeleinden."[vi]

Op het eerste gezicht is dit een geldig argument. We kunnen niet weten of de tekeningen in alle gevallen bedoeld waren om de wereld te waarschuwen voor een reuzenras waar de Indianen getuige van waren of mee omgingen. Aan de andere kant kan de vraag gemakkelijk worden omgedraaid naar Powell. Als we niet weten wat puur verbeelding was en wat documentatie van de werkelijkheid, dan heeft Powell geen enkel bewijs dat de tekeningen van reuzen altijd alleen maar verbeelding waren, zeker niet met de ontdekkingen van de reuzenbotten in de nabijgelegen Indiaanse grafheuvels. Powell had gelijk toen hij zei dat er geen perfect verslag was gemaakt, maar hij was slecht geïnformeerd als hij aannam dat alles buiten zijn eigen beperkte wereldbeeld het onderwerp was van sprookjesachtige fantasie. Integendeel, elke oude cultuur die we ooit uitvoerig hebben bestudeerd heeft zijn verhalen achtergelaten in muur- en rotstekeningen en het is uit deze artistieke documentatievorm dat we veel modern begrip hebben ontwikkeld van de oude wereld, zijn bewoners en de bevolkingsgroepen waarmee ze zich vermengden.

Dat Powell zou zeggen dat deze afbeeldingen "onwettig...zijn voor historische doeleinden" daagt de historische en archeologische praktijken uit die honderden jaren lang door experts van zijn eigen vakgebied zijn ingesteld.

Oorsprong van de mens: Voor een moment, en slechts een moment, zien we Powell's poging om zijn perspectief te verbreden en zijn geest te bevrijden van de banden van de cirkelredenering als hij zegt: "Het is dus zo dat terwijl de doctrines [van evolutie] de weg leiden naar nieuwe ontdekkingsgebieden, de nieuwe ontdekkingen weer leiden naar nieuwe doctrines."[vii] Dus, joepie, toch? Hij erkent dat nieuwe ontdekkingen mogelijk alles wat we weten van de evolutieleer teniet kunnen doen, of op zijn minst kunnen resulteren in een revolutionaire herziening ervan - wat een rechtvaardigheid zou zijn voor zowel religie als wetenschap als de mensheid werkelijk op de hoogte wil zijn van de waarheid.

Maar helaas resulteert dit moment van helderheid slechts in een plagerij, omdat we zien hoe hij de evolutieleer zelf gebruikt als een middel om verdere studie ervan te ontlopen. In plaats van het bewijs dat evolutie in twijfel trekt op te graven en te analyseren zodat onze wetenschappelijke database zich kan uitbreiden, stelt Powell: "De waarheid of fout van zo'n hypothetische genealogie [verwijzend naar reuzenmythen] heeft op geen enkele manier invloed op de geldigheid van de evolutieleer in de gedachten van wetenschappelijke mensen, maar aan de andere kant wordt de waarde van de voorlopige theorie onder het eindoordeel van de evolutiewetten gebracht."[viii] Met andere woorden, de theorieën die gepresenteerd worden door gelovigen van de oude reuzenrassen moeten uiteindelijk onder het eindoordeel van "de evolutiewetten" komen.

Evolutie is wetenschap en daarom overtroeft het de theorie. Natuurlijk. Maar als die theorieën geen theorieën zijn, maar feiten - wat we niet kunnen weten zolang persoonlijkheden als Powell doorgaan met het wegstoppen van het bewijs onder massa's bureaucratische bureaucratie - dan zullen die theorieën te zijner tijd de nieuwe wet worden en de evolutie zoals we die kennen overtroeven of herzien.

Ik blijf me meer en meer verbazen over hoeveel steun Powell's rapport kreeg van wat verondersteld wordt de meest vooraanstaande wetenschappelijke gemeenschap ter wereld te zijn. Tenzij die wetenschappers zich er ook van bewust zijn dat er iets in die heuvels zit waarvan ze niet willen dat de rest van ons het weet. Maar ik dwaal af...

Hij beschrijft verder hoe de filosofie werkt en hoe de filosofie zich heeft ontwikkeld van haar gebrekkige beginstadia tot onze huidige verlichting. Het is in deze stukjes tekst dat een lezer geneigd is om zich af te vragen waarom Powell is afgeweken van een discussie over de oorsprong van de mens naar een tirade over de geschiedenis en ontwikkeling van het zo gewaardeerde geschenk van de filosofie. Maar dan wordt het duidelijk wanneer hij zijn motief onthult met het volgende: "De methode van redeneren in de wetenschappelijke filosofie is puur objectief; de methode van redeneren in de mythologie en metafysica is subjectief."[ix] Grappig dat...Powell - een van de meest bekrompen ontdekkingsreizigers aller tijden die consequent objectief bewijs negeert van een reuzenras dat gevonden is in het land dat hij aan het verkennen is - nu de wetenschappelijke objectiviteit viert. Oh, maar dat hij echt zo onpartijdig zou zijn als hij op dit moment beweert! Niettemin is het duidelijk dat hij stelt dat iedereen die een plausibel geschiedenisverhaal vermaakt dat door wetenschappelijke geesten als "mythe" is bestempeld, onderhevig is aan dwaze speculatie. Maar als het bewijs dat de "mythe-gelovigen" zoeken verborgen ligt in de grafheuvels die Powell en anderen beschermen, dan worden het "zij" (Powell, wetenschappers, Smithsonian, etc.) die het publiek in de kuil van onwetende subjectiviteit en dwaze speculatie blijven drijven - want er kan geen sprake zijn van legitieme, wetenschappelijke objectiviteit totdat de wetenschap überhaupt is onthuld.

Zie je hoe dit maar rond en rond en rond gaat? Powell's gekozen woorden blijven impliceren - hoewel voorzichtig en beleefd - dat iedereen die het lef heeft om antwoorden te eisen van de wetenschappelijke gemeenschap over waarom er mammoetmensen begraven liggen in Indiaanse heuvels in de Verenigde Staten, tot de onverlichte minderheid behoort. De on-filosofen. De tijdverspillers. De grondstoffensponsers. De respectlozen van heilige Indiaanse gronden. De bemoeials. Of, in de huidige volksmond, "de nepnieuwsverslaggevers". Uiteindelijk, hoe hij zijn argumenten ook met diplomatie omhult, geeft de voorname Grand Canyon ontdekkingsreiziger een goedkeurend knikje aan iedereen die bereid is lid te worden van zijn volwassen en rationele club, terwijl hij de spreekwoordelijke domkop op iedereen werpt die niet "intelligent" genoeg is om het reuzenvolk af te doen als een irrelevante gril uit het verleden van de normale menselijke biologie. Het is neerbuigendheid ten top en het publiek moet de keuze maken om de eminente majoor Powell uit te dagen terwijl de wetenschappelijke gemeenschap hen voorstelt als gekken, of om gehersenspoeld te worden in zijn redenering. Is dit niet in feite het tegenovergestelde van de geliefde objectiviteit die Powell koestert?

De vaardigheid die Powell in zijn rapport gebruikt is ouder dan vuil. Neem een conflict over welk onderwerp dan ook en plaats een welbespraakte woordvoerder aan het hoofd van de ene kant die zelfverzekerd intimiderende en verheven woorden rond zijn of haar beweringen weeft om luisteraars het gevoel te geven dat ze dom zijn als ze het er niet blindelings mee eens zijn, en het maakt bijna niet uit wat de beweringen zijn, zolang het publiek maar wordt bestookt met mooie praatjes waardoor ze in de war raken over waarom ze überhaupt iets in twijfel trokken. En vergeet niet dat dit rapport bijna 150 jaar geleden werd geschreven, toen een veel groter aantal Amerikanen analfabeet was en zelfs de best opgeleide mensen dit breedsprakige stuk boven hun niveau van begrip konden vinden.

De kwestie is op geen enkele manier een argument over filosofie. Het is echt heel rudimentair. Het publiek ziet grote menselijke botten die een vraag vertegenwoordigen die de wetenschap niet kan en wil beantwoorden, dus speculeren ze om na te denken over hun eigen antwoord. Powells tactiek om de "objectieve" filosofen boven de "subjectieve" filosofen te verheffen is om de zaak om te buigen naar een verwarrende tekstuele preek over zijn eigen seculiere en evolutionaire wereldbeeld. Zou het niet JUIST. EENVOUDIGER. ZIJN. op dit punt om de botten naar buiten te brengen en eerlijk te praten over wat evolutie eigenlijk zegt over de zaak? Als evolutie zo'n lievelingetje van Powell is, waarom laat hij evolutie dan niet aan bod komen?

Mythologie: Het spoor van cirkelredeneringen wordt op dit punt vermoeiend, dus ik zal niet veel tijd besteden aan Powells beoordeling van de mythologie. Maar omdat zo veel van zijn doctrine is opgebouwd rond het groeperen van de gigantische theorieën in pure "mythe", smeekt de volgende uitspraak van Powell om kort gedeeld te worden:

Mythologie is primitieve filosofie. Een mythologie - dat wil zeggen, het geheel van mythen dat onder een volk gangbaar is en door hen geloofd wordt - omvat een systeem van verklaringen van alle verschijnselen van het universum die door hen waargenomen worden; maar zulke verklaringen zijn altijd vermengd met veel bijkomstige zaken, voornamelijk incidenten in de geschiedenis van de personages die de helden waren van de mythologische daden.....

Het is ijdel om naar waarheid te zoeken in mythologische filosofie, maar het is belangrijk om naar echte filosofie te zoeken.... Geen werk kan vruchtelozer zijn dan het zoeken in de mythologie naar ware filosofie; en de pogingen om uit de terminologie en verhalen van mythologieën een occulte symboliek en systeem van allegorieën op te bouwen, is slechts het scheppen van een nieuw en fictief lichaam van mythologie.[x]

Dus oude mythologie, wanneer vermaakt, verwekt een gemoderniseerde versie van dezelfde primitieve mythologie. Akkoord. Om te suggereren dat dit eindeloze en ingewikkelde discussiepad ijdel en vruchteloos is, zou waar zijn ware het niet dat we nog steeds zitten met reusachtige botten waar niemand zich voor wil verantwoorden. Nogmaals, "reuzen op aarde" is niet langer louter "mythologie" als we reusachtige botten hebben - en die hebben we. Samenzwering is geen "theorie" als er bewijs is. Een deel van de legende of overlevering rond reuzen zou mythologisch kunnen zijn, maar we zullen niet weten wat wel of niet mythologisch is totdat de botten zijn onderzocht, en dat kan niet zolang de Powells van de wereld in de weg staan als bewaarders van de sleutels van de grafheuvels, waardoor de middelen om in de echte wetenschap te duiken teniet worden gedaan op grond van het feit dat het alleen maar zou zijn om de mythologische fabels van irrationele samenzweringstheoretici te bewijzen of te weerleggen.

Het gaat niet om mythologie en het gaat niet om filosofie. Het gaat over botten in de grond.

Powell weigert deze eenvoud te waarderen zolang zijn ingewikkelde lezingen over grotendeels ongerelateerde onderwerpen mensen blijven afhouden van verder onderzoek.

VOLGENDE: Beleid van uitsluiting

Eindnoten

[i] Ibid., 31–32.

[ii] Ibid., 368.

[iii] John Wesley Powell, On Limitations to the Use of Some Anthropologic Data (Public domain; Amazon Digital Services LLC, Kindle Edition: 2012), Kindle locations 5–30.

[iv] Stanley Coren, PhD, “How Many Breeds of Dogs Are There in the World?” May 23, 2013, Psychology Today: Canine Corner , last accessed November 21, 2016, https://www.psychologytoday.com/blog/canine-corner/201305/how-many-breeds-dogs-are-there-in-the-world .

[v] John Wesley Powell, On Limitations , Kindle location 54.

[vi] Ibid., Kindle locations 54–55.

[vii] Ibid., Kindle locations 90–91.

[viii] Ibid., Kindle locations 86–88.

[ix] Ibid., Kindle locations 98–99.

[x] Ibid., Kindle locations 181–199.

Category: Featured , Featured Articles

Bron: The Land Before Time—PART 23: Smithsonian’s Bright Beginning » SkyWatchTV