www.wimjongman.nl

(homepagina)


ONDERZOEKSRESULTATEN ACHTER BAANBREKEND NIEUW BOEK "BEFORE GENESIS" VERTELLEN HUN EIGEN VERHAAL DEEL 25: "De staat van de "leegte

December 10, 2023 door SkyWatch Editor

( )

Inleding - Deel 1 - Deel 2 - Deel 3 - Deel 4 - Deel 5 - Deel 6 - Deel 7 - Deel 8 - Deel 9 - Deel 10
Deel 11 - Deel 12 - Deel 13 - Deel 14 - Deel 15 - Deel 16 - Deel 17 - Deel 18 - Deel 19 - Deel 20
Deel 21 - Deel 22 - Deel 23 - Deel 24

Het is niet verrassend dat de profeten nog niet klaar zijn met hun oordeel over dit tijdperk van de aarde. We krijgen voornamelijk inzicht in de toestand van onze planeet van Jesaja en Jeremia.

Maar om enkele van hun visioenen beter te begrijpen, zullen we nu kort een gebeurtenis rechtstreeks uit het bijbelse verhaal bekijken, zodat we iets hebben waarmee we het "lege" tijdperk kunnen vergelijken.

Beenderen van reuzen in Indiaanse grafheuvels

In het tweede hoofdstuk van het boek Before Genesis vergelijken we het gewicht van de Ussher Chronologie met dat van de Powell Doctrine om te laten zien hoe invloedrijk het woord van één man kan zijn op de samenleving van zijn tijd. Ik heb echter opzettelijk de bevindingen van het Smithsonian Institution tot dit punt buiten beschouwing gelaten, omdat deze ongedateerde botten mogelijk verband houden met het tijdperk van de "leegte". (Ze kunnen ook verband houden met de reuzen uit de tijd van Noach.) Laten we eens kijken naar de botten van reuzen uit mijn eerdere Cloudeaters-onderzoek.

Lang voor het document van Powell's Limitations (de Powell Doctrine) was de wereld, inclusief het Smithsonian, op de hoogte van bizarre plekken en objecten op het aardoppervlak. Deze beperkten zich niet tot botten, maar omvatten ook vreemde astronomische en astrologische bouwpatronen rondom oude structuren en monolithische bouwwerken zoals die in Baalbek, evenals enorme gereedschappen, vreemde tekeningen en heersende legendes van primitieve culturen over de hele wereld. Het Smithsonian was niet altijd betrokken bij elke ontdekking die gemeld werd. Daarom hoeft het publiek niet ver te zoeken in archieven van obscuriteit of samenzwering om overvloedig visueel bewijs te vinden dat er vroeger iets op aarde rondliep dat we niet kunnen verklaren, ondanks de pogingen van het Smithsonian om het in de obscuriteit te drukken.

Merk op dat veel van de volgende verslagen verwijzen naar skeletten die meer dan 2.10 meter lang zijn (hoewel sommige nog veel groter zijn). André René Roussimoff (in de volksmond bekend als "André de Reus") was 2.25 meter lang en Robert Pershing Wadlow (de "Reus van Illinois") was 2.5 meter lang. (De grootvader van Tom Horn had gigantisme en was precies 2.10 meter.) We weten dus dat door een zeldzame storing in het menselijk groeihormoon een gewoon mens extreem lang kan worden. Maar voordat we dit als bewijs kunnen zien dat alle reusachtige botten gewoon gevallen waren van storingen in het groeihormoon, moeten we niet vergeten dat het bij veel van deze ontdekkingen gaat om grafheuvels met veel reuzen op één plek; verder hebben sommige skeletten zes vingers en tenen aan elke hand en voet, evenals twee rijen tanden. Als dit een kwestie was van zeldzame biologische omstandigheden, zouden we geen enorme groepen van deze exemplaren in één heuvel ontdekken.

In 1882, hetzelfde jaar waarin het rapport van Powell werd gepubliceerd, benoemde Powell Cyrus Thomas tot hoofd van de divisie voor onderzoek naar terpen. Thomas stond aanvankelijk meer dan open voor de legendes over een oud en verloren ras van reuzen, omdat hij veel aandacht had besteed aan de rapporten over gigantische menselijke skeletten die waren opgegraven in en rond enorme structuren met complexe wiskunde en astronomische uitlijning. Maar omdat hij geen reclame maakte voor zijn theorieën, wist Powell misschien niet dat Thomas vooruitstrevend was in dit "mythologische" gebied toen hij hem koos om toezicht te houden op de mysterieuze grafheuvels. Thomas leidde dus - althans aanvankelijk - teams om de ontdekking van indrukwekkende skeletten te documenteren (hoewel hij er zelf niet over sprak).

Hieronder volgt een korte lijst van gedocumenteerde vondsten, allemaal opgenomen in de reeks Annual Report of the Board of Regents of the Smithsonian Institution Showing the Operations, Expenditures, and Condition of the Institution for the Year [...] (elke boektitel eindigt met het jaar waarin de ontdekking werd gedaan):

  • Een schedel met een omtrek van "36 inch."[i] Anna, Illinois, 1873. (De gemiddelde omtrek van de menselijke schedel is tussen de eenentwintig en drieëntwintig inch, afhankelijk van verschillende factoren zoals geslacht, etniciteit, enz.)
  • Een volledig skelet met dubbele rijen tanden, begraven naast een gigantische bijl, waarnaar in het rapport verwezen wordt als een "gigantische wilde."[ii] Het skelet - met een kolossale schedel - viel uit elkaar na opgraving, dus een exacte hoogte/hoofdomtrek werd niet gerapporteerd, maar het rapport vermeldt dat "zijn lengte behoorlijk [wat betekent "ten minste"] 2.10 meter moet zijn geweest." Amelia Island, Florida, 1875.
  • Reuzenbijlen en "vellenstenen."[iii] Eén woog meer dan 7 kilo, had een sierlijk uitgesneden handvat en was zo zwaar dat het werd gedocumenteerd: "Alleen een reus zou dit hebben kunnen hanteren. Kishwaukee Mounds, Illinois, 1877.
  • Een kaakbeen dat gemakkelijk om het hele gezicht van een grote man van het onderzoeksteam gleed; een dijbeen dat "10 cm. langer was dan dat van een man van 2 meter"; een "enorm skelet, veel groter dan het huidige mensenras."[iv] Kishwaukee Mounds, Illinois, 1877.

Volgens het Vijfde Jaarrapport van het Bureau Volkenkunde aan de Secretaris van het Smithsonian Instituut 1883-1884, kort na de ontdekkingen in de bovenstaande lijst, vond het Smithsonian team nog tien skeletten in grafheuvels en begraafplaatsen in Wisconsin, Illinois, West Virginia, North Carolina en Georgia. Niet van elk skelet werd de lengte gemeten, maar ze waren allemaal veel groter dan de skeletten van ons huidige ras; de skeletten die wel gemeten werden, waren tussen de zeven en zeveneneenhalve voet lang (2.10 - 2.30. [v] Evenzo werden in het Twaalfde Jaarrapport van het Bureau Volkenkunde aan de Secretaris van het Smithsonian Instituut 1894 twee enorme schedels, verschillende verbijsterende dijbeenderen en zeventien volledige skeletten opgegraven die ook tussen de zeven en zeven en een halve voet lang waren (één in East Dubuque, Illinois, was bijna acht voet lang) in Illinois, Mississippi, Georgia, North Carolina, Tennessee, Ohio, Pennsylvania en West Virginia. [vi] Het rapport van de opgraving in West Virginia bevat een extra bewering over het vinden van "veel grote skeletten," in algemene zin. vii] Deze rapporten vermelden de vondst van meer dan veertigduizend artefacten, waaronder wapens, gereedschappen, sieraden en verschillende gebruiksvoorwerpen die onmogelijk gebruikt kunnen zijn door mensen van gemiddelde grootte.

Er zijn aanwijzingen, gebaseerd op latere geschriften van Cyrus Thomas, dat hij uiteindelijk toch toegaf aan Powell's denkwijze, waarschijnlijk deels onder druk van het Smithsonian, wat bijdroeg aan de extreme acceptatie van de Powell Doctrine in 1907. Hierna werden, zoals eerder vermeld, alle theorieën, rapporten of bewijzen die leidden tot enige discussie tegen de doctrine het zwijgen opgelegd.

Nieuwsberichten van buitenaf over de kennis van het Smithsonian over reuzenbotten zijn onder andere:

  • Een skelet van "een gigantische Indiaan" werd ontdekt door de Smithsonian BAE's eigen John W. Emmert. Bristol, Tennessee. Gerapporteerd door The Weekly Democratic Statesman, 1883.[viii]
  • Een reusachtig skelet van zeven voet en twee inch (2.19 meter) met een koperen kroon op zijn hoofd, "gitzwart" haar tot aan zijn middel, mogelijk een koninklijk leider, werd begraven in een heuvel in een beveiligde grafkelder met onleesbare inscripties die in de buitenkant waren gekerfd. De relikwieën werden "onderzocht door een comité van wetenschappers van het Smithsonian Instituut" en vervolgens "zorgvuldig ingepakt en doorgestuurd naar het Smithsonian". Gastonville, Pennsylvania. Gerapporteerd door American Antiquarian, 1885.[ix] (Merk op dat een andere reus met mogelijke banden met royalty's werd gevonden door H. R. Hazelton in Cartersville, Georgia, het jaar daarvoor gerapporteerd, op 23 juli 1884, door The North Otago Times. Hoewel die vondst geen verband hield met de betrokkenheid van het Smithsonian, is het interessant om te zien dat we tenminste twee mogelijke "koningsreuzen" hebben. De reus van Cartersville, Georgia, was negen voet en twee inches (2.80 meter), had haar tot aan zijn middel, droeg een koperen kroon en was omringd door zeven skeletten van kinderen, begraven in een grafkelder onder vlaggenstenen [zowel de grafkelder als de vlaggenstenen waren diep geëtst met onleesbare inscripties], en rustend op een bed van droog gras en dierenhuiden. Sommigen hebben gesuggereerd dat de reuzen van Pennsylvania en Georgia dezelfde ontdekking waren vanwege hun vergelijkbare beschrijvingen, en dat de American Antiquarian hetzelfde skelet gewoon later meldde, minder details vermeldde en de verkeerde datum, locatie en skelethoogte vermeldde. Dit is een mogelijkheid, maar het is net zo waarschijnlijk dat er twee aparte ontdekkingen waren, één met betrokkenheid van het Smithsonian en één zonder, omdat de rapporten zo verschillend waren).
  • Het terugtrekken van water uit het Tumlin Mound veld onthulde "hectares van schedels en botten," waarvan er één zo massief was dat een artikel met de titel "Monster Skulls and Bones" stelt dat "hun eigenaar wel 14 voet (4.2 meter) hoog moet zijn geweest". In de laatste zin lezen we: "Een vertegenwoordiger van het Smithsonian Institution onderzoekt hier de merkwaardige overblijfselen." Cartersville, Georgia. Gerapporteerd door The New York Times, 1886.[x] (Merk op dat dit dezelfde stad is als één van onze "koningsreuzen" die in de vorige bullet werd genoemd. Dit "monster" werd twee jaar later ontdekt als gevolg van water recessie [niet een opzettelijke blootlegging van een heuvel] en werd gemeld dat het veel groter was dan de "koning" [groter dan veertien voet hoog].
  • Er werd een reus van acht voet en twee inches (tweeënhalve meter) ontdekt die goed bewaard was gebleven en een bekkenmaat had van twee feet en twee inches (67 cm.). "Ongeveer zes mijl (96 km.)" van deze vondst vandaan, "bij de monding van de Sioux Coulec," groef een vertegenwoordiger van het Smithsonian (waarnaar alleen wordt verwezen als een Smithsonian agent of medewerker) "de overblijfselen op van een ander skelet waarvan de grootte werd berekend op ongeveer 9 voet (2.74 meter) in lengte." Crawford, Minnesota. Gerapporteerd door American Antiquarian, 1887.[xi]
  • Veel reusachtige artefacten, elf volledige skeletten, één met een enorm kaakbeen "twee keer zo groot als normaal," werden ontdekt "door Warren K. Moorehead van het Smithsonian Institution." Romney, West Virginia. Gerapporteerd door The Baltimore Sun, 1889.[xii] (Warren Moorehead was geen directe werknemer van het Smithsonian, maar hij rapporteerde zijn archeologische vondsten meestal aan hen).
  • Ten minste vijftien, en mogelijk wel twintig, volledige skeletten "meer dan zeven voet (2.13 meter) lang" werden ontdekt door "leden van het Smithsonian Institution." Natchez, Louisiana. Ontdekking in 1891. Jaren later gemeld door The Spokane Daily Chronicle.[xiii]

In Cloudeaters hebben we in meer detail uitgelegd hoe deze vondsten werden genegeerd door machtige mannen die - ondanks jaren van transparante documentatie over de ontdekking door hun eigen onderzoeks- en onderwijsteams - al het bewijs dat niet strookte met het Darwinistische paradigma wilden begraven en uitwissen, wat zou verklaren 1) waarom we er vandaag de dag niet veel meer over horen en b) waarom er geen verantwoorde, collegiaal getoetste analyse van de botten is geweest met bevestigde datering. En vergeet niet dat zelfs de Bijbel zelf zulke bizarre gebeurtenissen als reuzen met zes vingers en tenen erkent (zie bijvoorbeeld 2 Samuël 21:20), wat een direct verband legt met de bevindingen in deze lijsten.

Voor het geval je het je afvraagt, deze reuzen kunnen niet verklaard worden door de huidige takken van de evolutietheorie. Neanderthalers waren, zoals de evolutionaire wetenschap heeft aangetoond, korter dan de mens van vandaag. Kijk maar eens naar de grafieken in klaslokalen en leerboeken die laten zien hoe de mens evolueerde van gehurkte aap naar rechtopstaande mens. Sommige diagrammen tonen de Neanderthaler in het midden, andere aan het eind, afhankelijk van de fysieke fasen die in elk diagram voorkomen. Wetenschappers zeggen dat deze homininensoort een van de laatste fasen van de mens was voordat hij veranderde in de Homo sapiens van vandaag en dat ze nog maar zo'n dertig- tot veertigduizend jaar geleden tussen de Homo sapiens leefden (hoewel sommige wetenschappers zeggen dat ze niet zo recent zijn). Een interessant weetje dat de wetenschap met de rest van de wereld heeft gedeeld over deze soort, is dat de gemiddelde lengte van de man ongeveer 1,67 meter was als hij rechtop stond, wat het idee ondersteunt dat de mens kleiner begon en is gegroeid - niet kleiner geworden - naarmate hij evolueerde. (Volgens Rudolph Zallinger's "March of Progress" grafiek uit 1965, was de eerste reeks van de mens ontstaan uit de nu uitgestorven Pliopithecus aap, die een gemiddelde 3 voet (0.9 meter) had. Hoewel ook deze grafiek is bijgewerkt, blijft het een feit dat de evolutie laat zien dat de mens in de loop van de tijd groter is geworden vanaf de mysterieuze aankomst van de allereerste Homo-soort (waarvan wordt aangenomen dat het onze vroegste menselijke vorm is).

Ongeacht de ontbrekende wetenschappelijke dateringsmethoden die op deze botten zijn toegepast (die de kerk toch zo serieus neemt), zou men, vanwege het gebrek aan prioriteit dat deze botten sinds hun ontdekking hebben gekregen, alle andere bekende gegevens in een blender kunnen stoppen en concluderen dat deze botten een overblijfsel zijn van de reuzen, Nephilim, of de Wachters uit Genesis 6. Als dat zo is, hebben de botten weinig of geen verband met een pre-Adamitisch ras, aangezien Adam de eerste was in de chronologie. (Natuurlijk, als ze uiteindelijk een datering krijgen die aantoont dat ze veel ouder zijn dan Adam, dan kunnen ze heel goed bewijs zijn van een voor-Adamitisch ras. We zullen het gewoon niet weten totdat ze verder bestudeerd zijn). Waar de overblijfselen van deze reuzen echter zeker van kunnen getuigen, is de Luciferiaanse natuur om de mensheid te verdraaien zoals die was verdraaid in Genesis 6, mogelijk zelfs als een poging om leven te scheppen zoals God dat in het begin had gedaan. En als we weten dat dit een deel van Lucifer's natuur is - als we weten dat dit was wat hij na Adam deed - dan is het niet ver gezocht om te zien dat dit ook een strategie was die hij vóór Adam toepaste, tijdens het tijdperk van de "leegte".

Nephilim: Opvolgers van een vergelijkbaar pre-Adamisch ras?

Voor degenen die misschien niet bekend zijn met het onderwerp van de Nephilim, zal ik kort het spoor uitleggen, te beginnen met de bijbelse identificatie van dit bizarre ras in Genesis 6:4: "Er waren reuzen [Hebreeuws: napil of Nephilim] op de aarde in die dagen; en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun kinderen baarden, werden zij machtige mannen, die van oudsher mannen van vermaardheid waren".

"Zonen van God" is volgens Hebreeuwse expert Dr. Heiser "een term voor de goddelijke leden van Gods goddelijke familie-entourage"; d.w.z. engelen.[xiv] Dit is belangrijk als je bedenkt hoeveel bijbelleraren vandaag de dag beweren dat deze term simpelweg verwijst naar de zonen van Seth (wat gewone en goede mannen in de vergadering van de Israëlieten betekent). Maar, "zonen van God" kan niet betekenen gewone, menselijke "afstammelingen van Seth" in Genesis 6:4, want dat maakt de context onzinnig: Dit vers beschrijft een ras van reuzen die de nakomelingen waren van een verbintenis met "de dochters van de mensen", wat betekent natuurlijke, menselijke vrouwen. Deze nakomelingen werden "machtige mannen... mannen van naam en faam," of beroemd om sensationele daden (boven wat van een mens verwacht kan worden). Als louter menselijke mannetjes copuleerden met louter menselijke vrouwtjes, waarom zou de schrijver van Genesis het dan nodig vinden om deze volkomen gewone relatie op dit punt in het bijbelse verhaal, vlak voor de Zondvloed, te vermelden? Als Gods "goeden" in deze tijd rondliepen, hun dagelijkse leven leidden, zich voortplantten, vruchtbaar waren en zich vermenigvuldigden en de Heer behaagden, dan zou de zondvloed geen noodzakelijke reiniging van het kwaad op aarde zijn geweest.

De reden dat deze duidelijke leer zo vaak wordt weerlegd in de kerk is voor een groot deel omdat Mattheüs 22:30 uitlegt dat engelen "uit de hemel" niet trouwen (of copuleren; de termen zijn synoniem in de hele Bijbel) en Psalm 103:20 expliciet stelt dat engelen God gehoorzamen. Als dat waar zou zijn voor alle engelen, dan zou Lucifer - een van God's meest verbazingwekkende cherubs - nooit gevallen zijn. De sleutel hier is om te onthouden dat we het niet hebben over gehoorzame engelen "uit de hemel", zoals in het eerder genoemde vers in Matteüs, maar over goddeloze engelen die God de rug toekeerden en hun hemelse positie en "eerste stand" verlieten, zoals we weten dat Lucifer en zijn leger van gevallen engelen deden (Judas 6). Nadat ze gevallen waren, waren ze niet langer "van de hemel"! In Job 1:6 en 2:1 zien we deze zelfde "zonen van God" (vaak vertaald als "engelen") aankomen met Satan in hun midden, specifiek om de rechtschapen man van God te beschuldigen. Zijn zij daar ook goed?

Ook is het Hebreeuwse woord voor "Nephilim" afgeleid van de Hebreeuwse wortel naphal, wat "gevallenen" betekent. Het is extreem moeilijk om te bedenken hoe "gevallenen" ooit godvruchtige zonen van Seth zouden kunnen beschrijven.

Met de juiste behandeling van de Hebreeuwse "Nephilim" in gedachten en wetende dat hun activiteiten leidden tot Gods woede en de daaropvolgende Zondvloed, begrijpen we dat de Nephilim nakomelingen zijn van goddeloze "zonen van God" (gevallen engelen) en "dochters van mannen" (menselijke vrouwen). Het Boek Henoch werd gelezen, bestudeerd en geciteerd door de Joden, inclusief de apostelen van Christus, van wie er één Henoch in zijn brief citeerde (zoek de context van Judas 14-15 op). Als juist de apostelen van Christus de literatuur over Henoch zo serieus namen, dan is deze vandaag de dag relevant voor het onderwerp van gevallen engelen, ondanks het feit dat deze literatuur is uitgesloten van de canon van de Schrift. Henoch 6:1-2, 7:1-5, en 10:1-3 breiden Genesis 6:4 uit. Hier zijn die verzen, in die volgorde:

En het geschiedde, als de mensenkinderen vermenigvuldigd waren, dat hun in die dagen mooie en bevallige dochters geboren werden. En de engelen, de kinderen des hemels, zagen en begeerden hen [nogmaals, heilige engelen zouden niemand of iets "begeeren", dus dit zijn gevallen engelen], en zeiden tegen elkaar: "Kom, laat ons vrouwen kiezen uit de mensenkinderen en ons kinderen verwekken."

En al de anderen samen met hen namen zich vrouwen, en ieder koos er voor zich een, en zij begonnen zich in hen te begeven en zich met hen te verontreinigen, en zij leerden hun toverspreuken en betoveringen, en het snijden van wortels, en maakten hen bekend met planten. En zij werden zwanger en baarden grote reuzen, die drieduizend ellen hoog waren: Die alle aanwinsten der mensen verteerden. En toen de mensen hen niet langer konden onderhouden, keerden de reuzen zich tegen hen en verslonden de mensen.

Toen sprak de Allerhoogste, de Heilige en Grote, en zond Uriel naar de zoon van Lamech en zei tegen hem: "Ga naar Noach en zeg hem in mijn naam 'Verberg u!' en onthul hem het einde dat nadert: dat de hele aarde vernietigd zal worden en dat er een zondvloed over de hele aarde zal komen, die alles wat erop is zal vernietigen. En instrueer hem nu opdat hij zal ontsnappen en zijn zaad behouden zal blijven voor alle geslachten van de wereld."

Noach was "volmaakt [Hebreeuws: tamim] in zijn geslachten" (Genesis 6:9). Op het eerste gezicht lijkt dit morele perfectie te beschrijven, maar behalve Christus is geen mens ooit moreel perfect geweest, wat Hebreeuwse schriftgeleerden ertoe heeft gebracht om het Hebreeuwse tamim in de context van andere geschriften uit deze tijd te bekijken. Net als de "yom/dag/leeftijd" kwestie die we eerder behandelden, kan tamim "volmaakt" betekenen, maar het betekent ook "puur" en "onbevlekt". Omdat morele perfectie waarschijnlijk niet de beste weergave van deze term is, worden we aangemoedigd om de "onbesmette" betekenis toe te kennen aan de bedoeling van de schrijver hier. Noach en zijn familie waren de enige overgebleven mensen wiens DNA zuiver en onbesmet was (niet aangetast door de Nephilim of het zaad van de "reuzen"). Dus zei God tegen Noach dat hij een ark moest bouwen om zijn gezin en twee van elk dier te redden (en nog een paar "reine" dieren om te offeren [Genesis 7:2]) zodat zij beschermd zouden zijn tegen de Zondvloed en erdoor bewaard zouden blijven (Genesis 6:14-22). (Als je je trouwens je hele leven hebt afgevraagd hoe een boot ter wereld groot genoeg kon zijn om van elk dier er twee te vervoeren, onthoud dan dat dit gebeurde vóór elke vorm van selectief fokken. Noach hoefde niet twee zwarte Labradors, twee Chihuahua's, twee Duitse herders, twee bulldogs, twee poedels, enz. te vervoeren; hij zou twee honden van het vroegste ouderras aan boord hebben genomen, twee katachtigen van het absoluut vroegste ouderras, enzovoort. Ook waren de dieren waarschijnlijk puppy's, kittens, etc., geen massieve, onhandige, brokken verslindende monster-dieren. De ark van Noach is niet zo vergezocht als we kijken naar het kleine aantal landdierrassen dat hij nodig zou hebben gehad om de bloedlijnen van de vroegste soorten op aarde te behouden die zich later zouden voortplanten tot de enorme variëteit die we vandaag de dag zien).

Dit voldoet niet alleen aan de mysteries die in Genesis 6:4 worden gepresenteerd, het verklaart ook waarom, toen de mensheid nieuw was op Aarde rond de tijd van de Vruchtbare Sikkel, verhalen uit bijna elke cultuur verhalen opleverden over menselijk/god-hybride "reuzen"-nakomelingen:

In de oude wereld werden vaak verhalen verteld over geslachtsgemeenschap tussen goden en mensen; en de semi-goddelijke nakomelingen van zulke relaties werden geacht abnormale energie en andere krachten te bezitten. In Mesopotamië en Kanaän werd het goddelijk-menselijke huwelijk gevierd in de heilige huwelijksrituelen die plaatsvonden in de tempels.[xv]

Gordon Fee, een geliefd geleerde die bekend staat om zijn strikte naleving van de juiste principes van bijbelse interpretatie en exegese (die ook de schrijver was van, of zijn werk werd zeer geprezen in, veel van mijn studieboeken), schrijft in zijn boek, Eerdmans Companion to the Bible:

Verzen 1-8 van [Genesis] hoofdstuk 6 vertellen over geestwezens (of engelen; Job 1:6; 2:1) die met menselijke vrouwen trouwden, en deze vrouwen baarden hen kinderen die "machtige mannen" (Nephilim, v. 4) werden. Dit verhaal komt overeen met andere verhalen uit het oude Nabije Oosten over goddelijk-menselijke huwelijken die bovenmenselijke nakomelingen voortbrachten en impliceert de praktijk van heilige prostitutie om vruchtbaarheid te verzekeren (zowel van de grond in de landbouw als in normale menselijke huwelijken). Maar dit doet God veel verdriet en omdat de mensheid vastbesloten lijkt om verder te gaan met slechtheid, besluit God om niet alleen de mensen [in de zondvloed] te vernietigen, maar ook alle andere schepselen die de aarde en de hemel bewonen. Naarmate de omvang van de zonde toeneemt, neemt ook Gods oordeel toe.[xvi]

Er is ook een andere manier om Genesis 6:2 te interpreteren: "De zonen Gods zagen de dochters der mensen, dat zij schoon waren." Het woord "eerlijk" (Hebreeuws tob) is misschien niet het hele plaatje, want het betekent ook "aangenaam" of "inschikkelijk". Begrijp het niet verkeerd: Het betekent misschien niet dat de vrouwen zelf aangenaam meegaand waren met de plannen van de gevallen engelen om zich voort te planten, maar dat voor de engelen de genetische opmaak en de biologie van het menselijk vrouwelijk lichaam het plan van de gevallen engelen kon ondersteunen. Wat in het Engels een synoniem van "beautiful" lijkt, is misleidend. Daarom vonden sommige briljante geleerden, zoals onze overleden vriend David Flynn, dit een betere weergave: "de dochters...waren geschikte verlengstukken." Met andere woorden, de gevallen engelen wilden "zichzelf incarneren in de materiële wereld," en vrouwelijke lichamen waren geschikt voor de klus.[xvii]

Sommige lezers zullen, als dit de eerste keer is dat ze deze kijk op Genesis 6:4 horen, misschien duizelen van de implicaties van deze leer. Maar ik verzeker je dat voor de meerderheid van degenen die de boeken hebben gelezen die wij (Defender Publishing) hebben uitgegeven, het onderwerp Nephilim niets nieuws is, dus in het belang van die individuen zal ik terugkeren naar het centrale onderwerp. (Voor verdere lectuur over dit onderwerp door ons bedrijf, raad ik ten zeerste aan om je internetbrowser te richten op SkyWatchTVstore.com. Er is heel veel materiaal over dit onderwerp beschikbaar in onze winkel).

Zoals ik al eerder zei: Omdat Adam werd gevormd vóór de zondvloed waaraan het bestaan van de mens/gevallen engel hybride Nephilim-nakomelingen bijdroeg, zijn de reuzen van Genesis 6 niet verwant aan een voor-Adamitisch ras dat op Aarde leefde tijdens het "leegte"-tijdperk. Maar we weten nog niet of de eerder genoemde reuzenbotten van voor of na Adams tijd zijn. We weten alleen dit: Lucifer, in zijn gevallen, goddeloze staat, samen met een derde van de engelen die samen met hem hun "eerste woonplaats" verlieten, stonden niet boven pogingen om te "scheppen" zoals de Allerhoogste deed. Het onfortuinlijke nageslacht dat voortkwam uit de verbintenis van de gevallen engelen met menselijke vrouwen was misschien niet de eerste poging van Lucifer en zijn volgelingen om hun eigen, verwrongen "schepping" te lanceren. Het is heel goed mogelijk dat er in het tijdperk van de "leegte" allerlei genetisch gemanipuleerde gruwelen rondliepen, want we weten dat dit iets was wat Lucifer in Genesis 6 "opnieuw zou doen".

Wat betreft zijn motief om deze Genesis 6 perversie te ontwerpen, stellen bijna alle geleerden die over dit onderwerp onderwijzen één antwoord: Lucifer was bij God geweest toen de Aarde voor het eerst werd gevormd, dus hij kende Gods uiteindelijke plan voor Zijn Schepping. Toen Lucifer zag dat zijn zielige overnamepoging God niet zou stoppen, probeerde hij de mensheid te verontreinigen zodat de Messias nooit door een zuivere bloedlijn geboren zou kunnen worden en verlossing door offers en de gelijktijdige verzoening van de mens met God nooit zou plaatsvinden. God stuurde de Zondvloed om Noachs "perfecte" (lees: "onbezoedelde") DNA te redden en de mensheid te behouden zodat Jezus kon worden voortgebracht uit een voorgeslacht dat onaangetast was door de reuzen.

Als er een voor-Adamitisch ras was van Luciferiaanse voortplanting, zou het dan iets zijn geweest dat lijkt op de reuzen van Genesis 6?

Trouwens, als de Bijbel zegt dat er reuzen op aarde waren "in die dagen en ook daarna", naar welke "dagen" wordt dan specifiek verwezen en welk tijdperk wordt vertegenwoordigd door "ook daarna"? Geleerden zijn hier al heel lang over in verwarring en noemen het tijdperk "ook daarna" de "tweede invasie". Af en toe zien we dat schriftgeleerden tot angstaanjagende conclusies komen over de tweede invasie, waarbij ze zelfs zover gaan om te zeggen dat het demonische DNA vandaag de dag nog steeds bestaat binnen sommige rassen van de mensheid (een voorstel dat ik niet levensvatbaar vind omdat het onze status als mensen weerlegt met toegang tot de verlossing die Christus de mensheid bood).

Anderen hebben voor een alternatieve benadering gekozen en vragen zich af: Wat als het echte antwoord niet zo sensationeel was? Wat als "in die dagen" een verwijzing is naar een voor-Adamitisch ras van het "nietige" tijdperk, en "ook daarna" een verwijzing is naar wat er in Noachs tijd gebeurde? Genesis-geleerde Derek Kidner zegt in zijn boek Genesis: An Introduction and Commentary, het volgende: "Het is de moeite waard om op te merken dat niet gezegd wordt dat de reuzen alleen uit deze [Genesis 6:4] oorsprong zijn voortgekomen: als sommigen op deze manier ontstonden (ook daarna), bestonden anderen al (in die tijd)."[xviii] De chronologie hiervan zou zijn:

1. Eerste inval: "in die dagen"; nadat God de aarde voor de eerste keer had gemaakt, na de val van Lucifer, en tijdens het tijdperk van de "leegte", maar voorafgaand aan de herschepping die begint in Genesis 1:3
2. Tweede inval: "en ook daarna"; na de herschepping die begon in Genesis 1:3, vermeld in Genesis 6:4.

Als - en ik geef toe dat het maar een "als" is - de Nephilim al lang voor de tijd van Adam op aarde waren, dan is het duidelijk dat de genetische manipulatie in Genesis 6:4 niet de eerste keer was dat Lucifer zoiets probeerde en dat een of ander pre-Adamitisch ras echt bestaat.

Zolang we weten dat Lucifer het doel voor ogen had om zijn eigen perverse ras van wezens te creëren rond de tijd van de zondvloed, dan is een pre-Adamitisch ras sowieso een mogelijkheid... en hoe meer de wetenschap botten ontdekt, Gobekli-Tepe-achtige gebouwen, structuren die niet door mensen lijken te zijn gemaakt, OOPArts, etc., hoe waarschijnlijker dat scenario lijkt te zijn.

Nu we een potentiële basis hebben voor wat voor destructieve "schepping" Lucifer van plan kan zijn geweest tijdens het tijdperk van de "leegte", laten we eens kijken naar wat de profeten zeiden over de toestand van de planeet in die tijd.

VOLGENDE: Jesaja zag de "leegte"

Eindnoten

[i] As recorded by T. M. Perrin, Annual Report of the Board of Regents of the Smithsonian Institution Showing the Operations, Expenditures, and Condition of the Institution for the Year 1873 (Washington, DC: Government Printing Office; Smithsonian Institution), 418.

[ii] As recorded by Dr. Augustus Mitchell, Annual Report of the Board of Regents of the Smithsonian Institution Showing the Operations, Expenditures, and Condition of the Institution for the Year 1875 (Washington, DC: Government Printing Office; Smithsonian Institution), 395.

[iii] Annual Report of the Board of Regents of the Smithsonian Institution Showing the Operations, Expenditures, and Condition of the Institution for the Year 1877 (Washington, DC: Government Printing Office; Smithsonian Institution), 260.

[iv] Ibid., 274.

[v] Fifth Annual Report of the Bureau of Ethnology to the Secretary of the Smithsonian Institution 1883–1884 (Washington, DC: Government Printing Office; Smithsonian Institution). See pages 19, 35, 52–57, 62–67, and 98.

[vi] Twelfth Annual Report of the Bureau of Ethnology to the Secretary of the Smithsonian Institution 1894 (Washington, DC: Government Printing Office; Smithsonian Institution). See pages 113, 117, 273, 302, 335, 340, 362, 419, 426, 432, 437, 440, 453, 458, and 495.

[vii] Ibid., 436.

[viii] The Weekly Democratic Statesman , April 12, 1883. There is no author listed as this news is reported in general in the bottom paragraph of column two on page 6 of the paper. However, an image of the newspaper scan can be found at the following link, last accessed March 20, 2023: Library of Congress, “The Weekly Democratic Statesman., April 12, 1883, Page 6, Image 6,” Chronicling America , http://chroniclingamerica.loc.gov/lccn/sn83021327/1883-04-12/ed-1/seq-6/ .

[ix] “Giant Skeleton in Pennsylvania Mound,” American Antiquarian 7:52 , 1885.

[x] “Monster Skulls and Bones,” The New York Times , April 5, 1886. No author, as it is a short blip on page 5.

[xi] American Antiquarian: Volumes 9–10: Jan. to Nov. 1887 , 176.

[xii] The Baltimore Sun , January 23, 1889. No author or article title, as it is a short blip.

[xiii] The Spokane Chronicle , June 21, 1993, 35. No author or article title, as it is a short blip.

[xiv] Heiser, PhD, Michael S., Angels , Kindle location 411.

[xv] Wenham, Gordon J., “Genesis,” in New Bible Commentary: 21st Century Edition , ed. D. A. Carson et al., 4th ed. (Leicester, England; Downers Grove, IL: Inter-Varsity Press, 1994), 65.

[xvi] Fee, Gordon D., and Robert L. Hubbard Jr., eds., The Eerdmans Companion to the Bible (Grand Rapids, MI; Cambridge, U.K.: William B. Eerdmans Publishing Company, 2011), 82.

[xvii] David Flynn, “Seraphim, Cherubim & Ezekiel’s Wheels: Aliens, Nephilim & the Days of Noah” Watcher Website . Quoted in: Putnam, Cris, and Tom Horn, Exo-Vaticana: Project L.U.C.I.F.E.R., and the Vatican’s Astonishing Plan for the Arrival of an Alien Savior (Crane, MO: Defender Publishing; 2013), 90.

[xviii] Kidner, Derek, Genesis: An Introduction and Commentary: Volume 1 , Tyndale Old Testament Commentaries (Downers Grove, IL: InterVarsity Press, 1967), 91.

Bron: RESEARCH FINDINGS BEHIND GROUNDBREAKING NEW BOOK “BEFORE GENESIS” TELL THEIR OWN TALE—PART 25: THE STATE OF THE “VOID” » SkyWatchTV