www.wimjongman.nl

(homepagina)


De wederkomst van Saturnus - deel 3: Geheimen en geesten

5 december 2021 - door Derek Gilbert

()

Deel 1 - Deel 2 - Deel 3 - Deel 4 - Deel 5 - Deel 16 - Deel 7 - Deel 8

Het verhaal in het Boek Henoch zou een meeslepende bovennatuurlijke thriller zijn. Het heeft twee hoofdschurken - Engelen van de Wachter-klasse genaamd Shemihazah, én Asael (soms ook Azazel genoemd).

Shemihazah is de leider van de rebellen - hun koning, zoals je in het vorige deel al zag. Bang dat hij aan het kortste eind zou trekken, overtuigde hij de rest van de tweehonderd die hem volgden naar de berg Hermon om elkaar te zweren en te verbinden met een eed en een vloek. Hoofdstukken 6 en 7 van Henoch concentreren zich op Shemihazah en de vermenging van menselijke en engelachtige bloedlijnen.

De zonden van Asael vormen een ander verhaal dat onze aandacht waard is. Terwijl Shemihazah de leider van de opstandige Wachters wordt genoemd, geeft hoofdstuk 8 van Henoch (sectie 3) Asael de schuld van ontelbare zonden:

Asael leerde de mensen ijzeren zwaarden te maken en wapens en schilden en borstplaten en elk oorlogsinstrument. Hij toonde hun de metalen der aarde en hoe zij goud moesten bewerken om het passend te maken, en wat zilver betreft, om het te bewerken tot armbanden en sieraad voor vrouwen. En hij toonde hun omtrent antimoon en oogverf en allerlei edelgesteente en verfstoffen. En de mensenkinderen maakten die voor zichzelf en voor hun dochters, en zij zondigden en brachten de heiligen op een dwaalspoor. En er was veel goddeloosheid op de aarde, en zij maakten hun wegen woest....

Gij ziet wat Asael gedaan heeft, die alle ongerechtigheid op aarde heeft onderwezen, en de eeuwige verborgenheden, die in de hemelen zijn, heeft geopenbaard, die de mensenzonen trachtten te leren....

De gehele aarde is verlaten geworden door de daden van de leer van Asael, en over hem schrijven al de zonden. (Henoch 8:1; 9:6; 10:8, Sectie 3 en 4 in de Nederlandse vertaling)

[Opmerking: de Hermeneia-vertaling werd hier gebruikt; die wijkt af van de Ethiopische vertaling]

In een notendop, Shemihazah kreeg de schuld voor het samenwonen van engelen en vrouwen, terwijl Asael verantwoordelijk was voor het onderwijzen van mensen in verboden kennis. In tegenstelling tot het Shemihazah-verhaal, heeft de rol van Asael in Henoch geen parallel in Genesis 6, dat alleen handelt over de schepping van de Nephilim. Evenzo vermelden Petrus en Judas alleen het seksuele aspect van de zonden van de Wachters. Deze overdracht van geheimen van het goddelijke rijk naar de mensheid beïnvloedde echter het joodse religieuze denken in de voorchristelijke tijd.

Sinds 1999 heeft Amar Annus een onschatbaar werk geproduceerd dat de verbanden laat zien tussen de Joodse theologie en de religies van hun Mesopotamische voorouders en de latere Grieken en Romeinen. In aanvulling op eerdere baanbrekende werken zoals Martin L. West's boek The East Face of Helicon uit 1997 en Michael C. Astour's Hellenosemitica, gepubliceerd in 1965, is het nu duidelijk dat de oorsprong van de zogenaamde mythen van het klassieke Griekenland en Rome kunnen worden getraceerd via de Semitische volken van de Levant naar het oude Babylon, Akkad, en Sumer.

Het onderzoek van Annus en anderen heeft onthuld dat de Wachters van de Hebreeuwse theologie in het oude Mesopotamië bekend waren onder de Akkadische naam apkallu (Soemerisch abgal), wat ruwweg vertaald "grote waterman" betekent.[1] Dit verwijst naar hun thuis, waarvan werd geloofd dat het de zoetwateroceaan onder de aarde was, de Apsû of abzu, waar wij het Engelse woord "abyss" vandaan hebben. Dit was het domein van Enki, de slimme god die als enige onder de Soemerische godheden de mensheid altijd gunstig gezind was. (Van de anderen kon men nooit zeker zijn.) De apkallu waren goddelijke wijzen, op de aarde voordat een grote vloed het land van Soemerië overspoelde, die de geschenken van beschaving van Enki aan de mensheid brachten.

( )

De drie vormen van apkallu in Mesopotamië (klik om te vergroten) [2]

Er waren drie soorten apkallu: Een man met een baard en vleugels, een mensachtige met een havikskop en vleugels, en een man die een vissenmantel leek te dragen. De apkallu met de vissenmantel is ten onrechte geïdentificeerd als de god Dagon of één van zijn priesters, dankzij Alexander Hislop's boek The Two Babylons uit 1858. Hislop bedoelde het goed, maar hij vergiste zich. Zoals we later zullen zien, was Dagon (oorspronkelijk gespeld als "Dagan") een graangod, niet een visgod.

Hoewel men geloofde dat de apkallu de bron waren van alle Mesopotamische priesterlijke kennis, werden zij ook in verband gebracht met tovenarij en werden zij soms beschouwd als gevaarlijke, demonische wezens. Zij werden in Mesopotamië aangeroepen als beschermende geesten, maar werden door de latere Hebreeërs beschouwd als de oorsprong van het kwaad. Interessant is dat het Babylonische Epos van Erra vermeldt dat de apkallu door de oppergod Marduk voorgoed naar de Apsû waren verbannen als gevolg van de grote overstroming, net zoals de zondigende engelen door God naar de Tartarus waren gedeporteerd.[3]

De apostel Paulus schreef aan de gemeente te Rome dat "de zonde door één mens in de wereld is gekomen"[4], namelijk door Adam. Dat is waar, maar in tegenstelling tot de christenen, die de zonde van Adam de schuld geven van de gevallen toestand van de wereld, wezen de Joden in Jezus' tijd ook op de incidenten van Genesis 6 en 11, de opstand op de berg Hermon en de toren van Babel. Ik ben elders uitvoerig ingegaan op de gevolgen van Babel, met name in hoofdstuk 3 van mijn boek The Great Inception, dus dat zal ik hier niet herhalen. Om samen te vatten: Babel was de poging van de mensheid om een kunstmatige berg te bouwen als een verblijfplaats voor de goden. Ik geloof dat dit de oude tempel van Eridu was, het oude cultuscentrum van Enki. Nimrod probeerde deze goddelijke verblijfplaats bovenop de Apsû, de "afgrond", te bouwen. Als straf delegeerde God het toezicht over de aarde aan een andere groep "zonen van God"[5]. Ook zij rebelleerden, en dus verordonneerde God hun dood. Dat staat in Psalm 82, die leest als een rechtbankscène in de hemel:

God heeft zijn plaats ingenomen in de goddelijke raad;
temidden van de goden houdt hij een oordeel:
"Hoe lang zult U nog onrechtvaardig oordelen
en de goddelozen partijdig zijn? Selah [...]

Ik zeide: Gij zijt goden,
zonen van de Allerhoogste, gij allen;
toch zult gij sterven als mensen,
en vallen als een vorst." (Psalm 82:1-2, 6-7)

Die "zonen van de Allerhoogste" zijn de heidense goden van de buren van de oude Israëlieten - vanaf Baäl, Asherah, Astarte en Chemosh tot Zeus, Apollo, Artemis en Ares.

De entiteiten waar wij ons mee bezig houden behoorden tot een vroegere tijd. Dit waren de goden die later door de heidenen de "oude goden" of "vroegere goden" werden genoemd. De Hebreeërs noemden ze Wachters. De Mesopotamiërs noemden hen apkallu, hoewel er een andere traditie is in de religie van Soemerië, Akkad en Babylonië dat de goden die vroeger over de hemelen heersten, de Anunnaki, rechters van de onderwereld waren geworden tegen de tijd van de Oud-Testamentische patriarchen.

De Oud Babylonische kopie van het Epos van Gilgamesj verbindt de berg van de eed van de Wachters met de oude goden van Soemerië en beschrijft het cederbos rond de berg Hermon als de "geheime woning van de Anunnaki."[6] Hermon kijkt uit over het land Bashan, dat door de Kanaänitische buren van het oude Israël werd beschouwd als de letterlijke ingang naar de onderwereld. Het verhaal van Gilgamesj verbindt de opstand van de Wachters dus met de oude Soemerische goden die op een bepaald moment in de geschiedenis uit de hemel naar de onderwereld werden gedegradeerd, zoals de Titanen van de Grieken.

Aangezien Shemihazah de leider was van de groep die naar Hermon afdaalde, is het een goede gok dat hij kan worden geïdentificeerd als Kronos, de jongste van de twaalf Titanen waarvan wordt aangenomen dat hij door de hemelgod Ouranos uit Gaia werd geboren. (We kunnen aannemen dat verhalen over goden die uit oudere goden geboren zijn, door de rebellerende engelen voor menselijke consumptie in het leven zijn geroepen. Volgens Jezus "trouwen de engelen in de hemel niet en worden zij ook niet uitgehuwelijkt"[7], waarschijnlijk omdat eeuwige geesten zich niet hoeven voort te planten). Asael werd uitgekozen voor de zonde van het onthullen van verborgen kennis aan de mensheid. Het personage in de Griekse mythe dat het meest bij zijn verhaal past is de Titaan Prometheus, die door Zeus tot een eeuwige marteling in de Tartarus werd veroordeeld omdat hij vuur van de Olympus had gestolen en het aan de mensheid had gegeven. Voor zijn misdaad werd Prometheus hulpeloos vastgeketend aan een rots, terwijl een adelaar zijn lever opat. Elke nacht groeide de lever weer aan, zodat het gruwelijke proces zich de volgende dag herhaalde, en de dag daarna, ad infinitum.

Hoofdstuk 10 van Henoch beschrijft hoe Asael, die duidelijk meer straf verdiende dan Prometheus, werd gebonden door de aartsengel Rafaël, in een gat in de woestijn werd gegooid op grillige rotsen, en bedekt werd met duisternis waar hij zal blijven tot de Dag des Oordeels. Dit lijkt opvallend veel op de beschrijving die Petrus en Judas geven van de straf die de engelen die gezondigd hebben, te wachten staat.

De straf van Shemihazah werd opgedragen aan Michaël, die de opdracht kreeg hem en de andere Wachters die zich met vrouwen hadden "bevuild" zeventig generaties lang te binden in de "valleien der aarde."[8] Merk op dat "zeventig" in het oude Nabije Oosten geen letterlijk getal was, maar een symbool dat "hen allen" voorstelde. Met andere woorden, Sjemihazah en zijn collega's zijn gevangen in de onderwereld tot het einde van het tijdperk, de tijd van het laatste Oordeel.

We zullen in een volgend artikel meer ingaan op de parallellen tussen de Wachters van Henoch en de Titanen van Griekenland. Het andere belangrijke gevolg van de zonde van de Wachters dat we hier moeten bespreken is de schepping van demonen.

Het is expliciet in Henoch dat de reuzen na hun dood "boze geesten" werden, veroordeeld om over de aarde te zwerven tot het Oordeel. De vermenging van menselijk en goddelijk was verboden, zodat het geestelijke deel van de reuzen op aarde moest blijven, honger en dorst lijdend, maar niet in staat om die behoeften te bevredigen, de mensheid kwellend en onderdrukkend tot het grote Oordeel.[9] Dit is de tekstboekdefinitie van een demon.

De oudste gedeelten van het Boek van Henoch, dat het Boek van de Wachters omvat, werden waarschijnlijk niet eerder geschreven dan in de Griekse periode van Israëls geschiedenis, nadat Alexander de Grote de Levant had veroverd in de late vierde eeuw voor Christus. Dit betekent dat de Hebreeuwse Geschriften van de Tenach, het Christelijke Oude Testament, ouder zijn dan Henoch. En er zijn zeer weinig verwijzingen naar demonen in het Oude Testament; in feite wordt het woord "demon" slechts drie keer gebruikt. In Leviticus 17:7 wordt het Hebreeuwse se'irim weergegeven als "geitendemon", wat in deze context bijzonder interessant is. Leviticus 16 beschrijft de instructies die God aan Mozes en Aäron gaf voor de Grote Verzoendag, waarop zij tussen twee mannelijke geiten moesten loten. De ene werd geofferd als zondoffer aan God, maar Aäron moest de andere nemen, zijn handen op de kop leggen en de zonden van Israël op de geit overbrengen, en deze vervolgens "de wildernis in sturen voor Azazel."[10] Dit was geen offer aan Azazel/Asael; de geit droeg de zonden van het volk uit het kamp, dat voor Jahweh heilige grond was, en naar de wildernis, dat het rechtsgebied van Asael was.

Dit is in overeenstemming met andere Joodse geschriften uit de Tweede Tempel periode waarin de woestijn wildernis wordt afgeschilderd als een plaats die door demonen wordt bewoond. Dit geeft een andere smaak aan het vers uit Jesaja geciteerd door Johannes de Doper: "Een stem roept: 'Bereidt in de woestijn de weg van de Heer; maak in de woestijn een weg recht voor onze God.'"[11] De heraut die Gods volk vrijmoedig opriep om zich voor te bereiden op Zijn komst bevond zich in vijandelijk gebied!

In Deuteronomium 32:17 en Psalm 106:37 wordt "demon" gebruikt voor het Hebreeuwse woord shedim. Dit is waarschijnlijk gebaseerd op het Akkadische shadu, dat "berg" betekent en mogelijk het woord is achter El Shaddai ("God van de Berg"). De Akkadische shadu waren beschermende geesten, ook wel lamassu genoemd. Zij werden meestal afgebeeld als gevleugelde wezens met het lichaam van leeuwen of stieren en een menselijk gezicht. De beroemde lamassu in het British Museum, die ooit de wacht hielden voor het paleis van de Assyrische koningen in Nineveh, zijn gevleugelde stieren met een menselijk hoofd en de poten van leeuwen.

( )

Derek Gilbert met een Assyrische lamassu in het British Museum

Merk op dat de lamassu de vier aspecten van de bijbelse cherubijnen bezit - mens (gezicht), leeuw (poten), os (lichaam), en adelaar (vleugels). Dit is geen toeval. De shedim waren dus mindere bovennatuurlijke wezens, mogelijk gevallen cherubijnen, die door de heidenen werden vereerd.
Er staat echter helemaal niets in het Oude Testament over de verschillen tussen gevallen elohim, zoals de "zonen van God" in Genesis 6 en Psalm 82, en de demonische geesten die in Henoch worden beschreven. Je zult ook niets vinden over de oorsprong van demonen. Die doctrine komt ergens rond 300 v.Chr. in beeld met het Boek Henoch.

We zouden kunnen negeren wat Henoch te zeggen heeft over demonen als het gedeelte van Henoch waar we het over hebben, de hoofdstukken die het Boek van de Wachters worden genoemd, niet waren genoemd door Petrus en Judas. Maar het is duidelijk dat hun kennis van de overtredende engelen, vooral hun straf, uit Henoch kwam. Dus, hoewel het grootste deel van de Christelijke kerk het niet als geïnspireerde Schrift beschouwt, is Henoch nuttig voor zover het ons helpt Genesis 6 te begrijpen en de zonde van de engelen die door Petrus en Judas worden genoemd.

De vroege kerk aanvaardde duidelijk het oorsprongsverhaal van demonen dat rechtstreeks uit de hoofdstukken 7 en 15 van Henoch komt. Christelijke theologen waren het er in de eerste vierhonderd jaar na de opstanding bijna unaniem over eens dat demonen de geesten zijn van de Nephilim die in de zondvloed werden vernietigd, en dat de Nephilim de kinderen waren die werden geboren uit de helse verbintenissen van opstandige Wachters en menselijke vrouwen.

Dat is de erfenis van Shemihazah, de leider van de Wachters die in een ver verleden naar de berg Hermon afdaalden. Door zijn tweehonderd collega's ertoe te brengen de grenzen tussen de soorten te overschrijden en kinderen te verwekken met mensenvrouwen, zette hij een keten van gebeurtenissen in gang die tot op de dag van vandaag doorwerkt in de wereld. Shemihazah creëerde in feite een bovennatuurlijk leger - een leger dat Israël misleidde tot het offeren aan de doden voordat Jozua het volk Kanaän binnenleidde.

Volgende: Aanbidding van de Rephaim.

Eindnoten:

[1] Sjur Cappelan Papazian, “Abgal or Apkallu.” Cradle of Civilization , April 5, 2015. https://aratta.wordpress.com/2015/04/05/abgal-or-apkallu/, retrieved 5/16/21.

[2] Stephanie Dalley, “Apkallu.” In: Eggler J./Uehlinger Ch., eds., Iconography of Deities and Demons in the Ancient Near East , http://www.religionswissenschaft.uzh.ch/idd/prepublications/e_idd_illustrations_apkallu.pdf, retrieved 6/26/21.

[3] 2 Peter 2:4.

[4] Romans 5:12.

[5] Deuteronomy 32:8: “When the Most High gave to the nations their inheritance, when he divided mankind, he fixed the borders of the peoples according to the number of the sons of God.”

[6] Edward Lipiński, “El’s Abode: Mythological Traditions Related to Mount Hermon and to the Mountains of Armenia,” Orientalia Lovaniensa Periodica II (1971), pp. 18–19.

[7] Matthew 22:30.

[8] 1 Enoch 10:11–12.

[9] 1 Enoch 15:8–16:1.

[10] See Leviticus 16:1–22.

[11] Isaiah 40:3.

Bron: The Second Coming of Saturn Part 3: Secrets and Spirits » SkyWatchTV