Beloften.



Eerst de profetie van Jakob over zijn zonen.

Gen.49:1-27 En Jakob ontbood zijn zonen en zeide: Komt bijeen, opdat ik u bekend make, wat u in toekomende dagen wedervaren zal.
2 Verzamelt u en luistert, gij zonen van Jakob, luistert naar Israël, uw vader.
3 Ruben, mijn eerstgeborene zijt gij, mijn sterkte en de eersteling mijner kracht, de voornaamste in hoogheid, de voornaamste in vermogen.
4 Gij, die opbruist als water, gij zult de voornaamste niet zijn, omdat gij uws vaders bed beklommen hebt; toen hebt gij het ontwijd. Hij heeft mijn legerstede beklommen.
5 Simeon en Levi zijn broeders; hun gereedschappen zijn werktuigen van geweld.
6 Mijn ziel hebbe geen deel aan hun beraadslaging, mijn geest sluite zich niet aan bij hun vergadering, want in hun toorn hebben zij mannen gedood en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden.
7 Vervloekt zij hun toorn, want die is hevig, en hun grimmigheid, want die is hard. Ik zal hen verdelen onder Jakob en verstrooien onder Israël.
8 Juda, u zullen uw broeders loven, uw hand zal zijn op de nek uwer vijanden, voor u zullen uws vaders zonen zich neerbuigen.
9 Een leeuwewelp is Juda; na de roof zijt gij omhoog geklommen, mijn zoon; hij kromt zich, legt zich neder als een leeuw of als een leeuwin; wie durft hem opjagen?
10 De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn.
11 Hij zal zijn ezel aan de wijnstok binden en het jong zijner ezelin aan de wingerd; hij zal zijn kleed in wijn wassen en in druivebloed zijn gewaad.
12 Hij zal donkerder van ogen zijn dan wijn en witter van tanden dan melk.
13 Zebulon zal wonen aan het strand der wijde zee, ja, hij zal wonen aan het strand bij de schepen, en zijn zijde zal naar Sidon gekeerd zijn.
14 Issakar is een bonkige ezel, die tussen de stallingen ligt;
15 Als hij ziet, dat de rust goed is, en dat het land liefelijk is, buigt hij zijn schouder om te torsen en leent zich tot slaafse herendienst.
16 Dan zal zijn volk richten als een der stammen Israëls.
17 Moge Dan een slang op de weg zijn, een hoornslang op het pad, die in de hielen van het paard bijt, zodat zijn berijder achterover valt. 18 Op uw heil wacht ik, o Here.
19 Gad, een bende zal hem belagen, maar hij zal hun hielen belagen.
20 Aser, zijn spijze zal vet zijn, en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.
21 Naftali is een losgelaten hinde; hij laat schone woorden horen.
22 Een jonge vruchtboom is Jozef, een jonge vruchtboom aan een bron; zijn takken stijgen boven de muur uit;
23 De boogschutters hebben hem getergd, beschoten en vijandig bejegend,
24 Maar zijn boog bleef stevig en zijn sterke handen bleven lenig, door de handen van de Machtige Jakobs, daar de Steenrots Israëls zijn herder is;
25 Door de G’d; uws vaders, die u zal helpen, en de Almachtige, die u zal zegenen met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen van de watervloed die beneden ligt, met zegeningen van de borsten en de moederschoot.
26 De zegeningen van uw vader gaan de zegeningen van mijn voorvaderen te boven, reikende tot het kostelijkste der eeuwige heuvelen; zij zullen komen op het hoofd van Jozef, op de schedel van de uitverkorene onder zijn broeders.
27 Benjamin is een verscheurende wolf; in de morgen verslindt hij zijn prooi en tegen de avond verdeelt hij de buit.
NBG

Vervolgens de profetie van Mozes over de stammen.

Deut. 33:6-25: Ruben leve, en sterve niet, maar laten zijn mannen te tellen blijven.
7 En dit betreft Juda. Hij zeide: Hoor, Here, de stem van Juda en breng hem tot zijn volk; zijn handen strijden voor hem, en wees Gij hem een hulp tegen zijn tegenstanders.
8 Van Levi zeide hij: Uw Tummim en Urim behoren de man toe, die uw gunstgenoot is, die Gij bij Massa op de proef gesteld hebt, met wie Gij getwist hebt bij de wateren van Meriba;
9 Die van zijn vader en zijn moeder zeide: ik zie hen niet; zijn broeders wilde hij niet kennen en van zijn kinderen wilde hij niet weten. Want zij onderhouden uw woord en bewaren uw verbond;
10 Zij onderwijzen Jakob uw verordeningen, Israël uw wet; zij doen reukwerk in uw neus opstijgen en leggen het brandoffer op uw altaar.
11 Zegen, Here, zijn kracht en zie het werk zijner handen met welgevallen aan. Verpletter de lendenen van zijn tegenstanders en van wie hem haten, zodat zij niet meer kunnen opstaan.
12 Van Benjamin zeide hij: De beminde des Heren, die veilig bij Hem wonen zal. Hij beschermt hem te allen tijde en woont tussen zijn berghellingen.
13 Van Jozef zeide hij: Zijn land zij door de Here gezegend met de kostelijkste gave des hemels, met de dauw, en met de watervloed die beneden ligt;
14 Met de kostelijkste gave, die de zon voortbrengt, en met de kostelijkste gave, die de maan doet uitspruiten;
15 Met het uitnemendste der aloude bergen,
16 En met de kostelijkste gave der eeuwige heuvelen, en met de kostelijkste gave van de aarde en haar volheid; met het welbehagen van Hem, die in de braamstruik tegenwoordig was; dat moge komen op het hoofd van Jozef, op de schedel van de uitverkorene onder zijn broeders.
17 De eersteling zijner runderen is zijn trots en diens horens zijn horens van een woudos; daarmee zal hij de volken stoten, alle einden der aarde. Dit zijn de tienduizenden van Efraïm en dit zijn de duizenden van Manasse.
18 Van Zebulon zeide hij: Verheug u, gij Zebulon, over uw tochten, en gij, Issakar, over uw tenten.
19 Volken zullen zij roepen tot de berg; daar zullen zij offers brengen naar de eis, want zij zullen gezoogd worden met de overvloed der zeeën en met de meest verborgen schatten van het strand.
20 Van Gad zeide hij: Geprezen zij Hij, die voor Gad ruimte maakt; hij legt zich neder als een leeuwin en verbrijzelt de arm, ja, de schedel.
21 Hij voorzag zichzelf van het beste deel, want daar was het deel van de heersersstaf verborgen; hij kwam tot de hoofden van het volk; het heeft de gerechtigheid des Heren en zijn gerichten ten uitvoer gebracht met Israël.
22 En van Dan zeide hij: Dan is een leeuwewelp, die uit Basan te voorschijn springt.
23 En van Naftali zeide hij: Naftali is verzadigd van het welbehagen en vervuld van de zegen des Heren; neem het Meer in bezit en het Zuiden.
24 Van Aser zeide hij: Gezegend zij Aser onder de zonen; hij zij bemind bij zijn broeders, en hij dope zijn voet in olie.
25 IJzer en koper mogen uw grendels zijn, uw sterkte moge zijn als uw levensduur.
NBG

Er zijn profetieën in te vullen, in welke die in het land zijn vervult en welke niet en dus elders vervult. Ruben is een kleine stam gebleven en het eerstgeboorterecht is naar Juda gegaan. Deze stam is verbonden met het koningsrecht. De profetieën van Simon en Levi zijn in het land in vervulling gegaan, ze zijn verspreidt onder het volk. De Simionieten woonden in het hart van het Judese land. De Levieten hadden geen erfdeel in het land.
Uit Juda is het koningshuis gekomen. Ruben, Simeon, Levi en Juda waren de eerste 4 zonen van Lea.

Aser, zijn spijze zal vet zijn en hij zal koninklijke spijzen leveren. Welke drank en keuken is wereldberoemd? De Franse
In het gebied van Aser is nooit olie gevonden deze moet dus nu ergens anders wonen, in een land dat ook ijzererts en kopermijnen heeft, of anders uitgelegd; zo sterk is; dat het niet overwonnen kan worden. De oliehandel is in handen van het westen. De zeven zusters de oliemaatschappijen maken de dienst uit. De oosterse landen proberen dit wel tegen te gaan door hun OPEC organisatie maar ze zijn niet eensgezind.
Gad een verraderlijk volk, maar toch zal hij heersen over een deel van de aarde. Dan en Naftali moeilijk te duiden. Deze laatsten waren alle vier zonen van bijvrouwen. Alhoewel er in Europa diverse namen mat Dan in verband staan Danube(Donau), Dannellen, Danmark.

Jozef, dat is Manasse/Efraïm blijft staande doordat de Machtige Jakobs die zijn herder is. Deze krijgen uitzonderlijk veel zegen. Wie is die herder van de stammen Jozef, de Machtige Jakobs? Dat is onze herder Yeshua.

Wat betekenen b.v. de zegeningen van Jakob aan Zebulon en Issakar; “Zebulon woont aan het zeestrand, hijzelf aan het strand der schepen, en strekt zich tot Sidon uit. ” Genesis 49:13, Lei.
Sidon was een havenstad. En de zegeningen van Mozes Deut.33:18-19 over Zebulon en Issachar. Van Zebulon zeide hij: Verheug u, gij Zebulon, over uw tochten, en gij, Issakar, over uw tenten.
19 Volken zullen zij roepen tot de berg; daar zullen zij offers brengen naar de eis, want zij zullen gezoogd worden met de overvloed der zeeën en met de meest verborgen schatten van het strand.

Hosea 12:9. Maar Efraïm zegt: Waarlijk, ik ben rijk geworden, ik heb mij rijkdom verworven; in al mijn vermogen vindt men bij mij geen ongerechtigheid die zonde zou zijn.
Inderdaad het rijke westen. Rijk aan goederen maar ook rijk aan het evangelie.

Zebulon en Issachar zijn de twee jongste zonen van Lea en woonden in het midden van het land Israël. Deze zegeningen zijn vrij goed aan te wijzen aan welke volken ze toepasbaar zijn. Vanuit welke volken komen de zendelingen die de volken roepen, “tot G’d, tot de Berg? ” De Europeanen met name Engeland en Nederland en ook Duitsland mede via Amerika hebben deze beloften vervult gekregen. Hier is de tweede zendingsgolf begonnen. In Europa zijn de bijbels vertaalt en gedrukt.
Ook zijn ze steenrijk geworden van hun tochten over de oceanen. Engeland en Nederland deze landen waren de heersers over de zee. Ze beroofden Spanje van hun buit. Holland bezat 23 duizend schepen.
West-Europa heeft de Chamitische volken voor zich laten werken. Kolonisatie; “Een knecht der knechten zult gij zijn, ” was de vloek die Noach uitsprak voor Cham. Maar de Semitische volken hebben geen kolonisatie bedreven.

De Saksische volken, de zonen van Sak. De tienduizenden van Efraïm en de duizenden van Manasse, waar zijn ze. Als we de profetieën nalezen weten we gewoon waar sommige stammen zich bevinden in de volken.

Gelijkenissen.

Laten we dan nog eens naar de gelijkenissen kijken die Yeshua vertelde en een betekenis toevoegen. Die van de schat in de akker. Matt. 13:44. Wie is de schat? Efraïm. Wie de koopman? Yeshua!
Yeshua weet dat de schat “Efraïm” verborgen is in de schoot van de volkeren, “de akker” Dan gaat Hij heen, komt naar de aarde en koopt de hele akker/aarde vrij met alles wat hij heeft, “Zijn Leven. ”

Ook de gelijkenis van de verloren zoon heeft een meer en diepere betekenis. Efraïm de jongste zoon van Jozef ging heen met zijn erfdeel, de wereld in en zat op het laatst aan de voederbak van de afgoden. Totaal vervreemd van het geloof van de vaderen.
Dan komt het evangelie naar Europa en kon de zoon terug keren naar de Vader. Deze gaf hem onmiddellijk de “mantel van de profeten” de schoenen aan de voeten om het evangelie te brengen en de ring aan de vinger als gezant van G’d.
Want ook dat weten we vanuit de geschiedenis dat de tweede zendingsgolf vanuit Amerika en Europa is gedaan. Waar Yeshua wordt beleden als Redder en Verlosser daar is de zoon thuis gekomen. Waar de gemeente ook bijeen is, daar mag het feestmaal worden gevierd.

Of de gelijkenis van de twee broers aan wie de vader vraagt of ze willen gaan werken in de wijngaard. In die gelijkenis zegt Yeshua al hoe het gaan zal. De oudste broer Juda heeft wel gezegd dat hij zal gaan werken in de wijngaard, maar hij verwerpt de Redder.
Efraïm de jongste broed weigert om te gaan werken in de wijngaard en krijgt hier later spijt van, gaat dan alsnog werken in de wijngaard.
Hier zien de de gemeente die Yeshua wel aanvaard en gaat werken in de wijngaard.

Lees ook eens Ps 80:1-12 en met het oog op de stammen Efraïm, Manasse en Benjamin. Hier wordt allereerst meerdere stammen genoemd.
In vers 9 gaat het over een wijnstok en zegt Yeshua niet dat Hij de ware wijnstok is waarvan de takken zich uitbreiden van zee tot zee. Dus is Hij ook gekomen voor Efraïm - Manasse en al die andere stammen.

In Deut. 28 dreigt de Here het volk Israël wanneer zij Hem verlaten met straf. Dat is ook gekomen. 28:15-17 Maar indien gij niet luistert naar de stem van de Here, uw G’d, en niet al zijn geboden en inzettingen, die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zullen de volgende vervloekingen alle over u komen en u treffen:
Vervloekt zult gij zijn in de stad en vervloekt op het veld. Vervloekt zullen zijn uw mand en uw baktrog. Vers 21; De Here zal de pest aan u doen kleven, totdat zij u heeft weggevaagd uit het land, dat gij in bezit gaat nemen.De Here zal u slaan met Egyptische zweren, met builen, uitslag en schurft, waarvan gij niet kunt genezen. Vers 35; De Here zal u slaan met boze zweren aan de knieën en aan de dijen, waarvan gij niet kunt genezen; van uw voetzool af tot uw schedel toe.

En de profetie over de wegzending uit het land in de verzen 64-67 van Deut. 28.
De Here zal u verstrooien onder alle natiën van het ene einde der aarde tot het andere; aldaar zult gij andere goden dienen, die noch gij noch uw vaderen gekend hebben: hout en steen.
65 Gij zult onder die volken geen rust vinden noch een rustplaats voor uw voetzool; de Here zal u daar een bevend hart geven, ogen vol heimwee en een kwijnende ziel.
66 Zonder ophouden zal uw leven in gevaar verkeren; des nachts en des daags zult gij opschrikken en van uw leven niet zeker zijn.
67 Des morgens zult gij zeggen: Was het maar avond; en des avonds: Was het maar morgen - vanwege de vrees, die uw hart vervult, en vanwege het schouwspel dat uw ogen zien.

Efraïm is als eerste verstrooid en zijn delen van de straf hun overkomen. Ze zijn verstrooit over de gehele aarde. en ook de ziekte is over hun gekomen. Ze hebben afgoden gediend en in duisternis verkeert. Maar ze hebben wel rust gekend en zijn nooit opgejaagd geweest.
Ze zijn niet zoals Juda opgejaagd geweest, later wel als de ware christenen door de schijngelovigen worden vervolgd, maar men vond dan wel weer een plaats waar ze verder konden leven. De hugenoten b.v. in Nederland of anderen in Amerika.
Ook de ziektes zijn gekomen (die hele volken decimeerden), en hebben in Europa gewoed. De pest en de pokken en ook de cholera waren gevreesde ziekten. Beide huizen hebben hieronder geleden. Dit was meer een gevolg van het niet houden van de regels van G’d. De reinheidsvoorschriften aangaande wassen, e.d. geen goede riolering en het vuil wegbrengen uit de leefomgeving etc., die deels de oorzaak waren van epidemieën.
Dit kun je nu nog zien in verre heidense landen die zich ook niet aan deze regels houden omdat ze hierin niet onderwezen worden.

Juda is later verstrooid, dit nadat de tempel is verwoest en worden ze over heel het Romeinse rijk verdreven in de diaspora. Ze worden wel vervolgd en nooit met rust gelaten. Deut. 28:32; uw zonen en dochters zullen aan een ander volk worden overgeleverd, terwijl gij het met eigen ogen ziet, en de gehele dag naar hen smacht, zonder iets te kunnen doen.
De verdrijving uit landen, de pogroms en de holocaust zoals beschreven in de verzen 65 tot 67.
De dienst der verzoening door offerande van dieren is hun afgenomen omdat Yeshua had betaald en dit overbodig was geworden. Ook zij moeten het offer van Yeshua aanvaarden. Maar ze hebben geen andere goden aanbeden, juist heeft de dienst aan de Ene G'd hen bij elkaar gehouden.

Wie zal ons terughalen? G’d zelf Hosea 14:2; Bekeer u, Israël, tot de Here, uw G’d, want door uw ongerechtigheid zijt gij gestruikeld.
vs 5; Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want mijn toorn keert zich van hen af.
vs 9; Efraïm, wat heb Ik nog met de afgoden te doen? (Ik verhoor hem en zie hem aan.) Ik ben als een altijd groene cypres, aan Mij is uw vrucht te danken.

Efraïm sluit een nieuw verbond. De besnijdenis is voor hen verdwenen, het hart moet besneden worden. Deut. 10:16 ; Rom 2:29. Deut. 30:6-7 zegt; En de Here, uw G’d, zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden, zodat gij de Here, uw G’d, liefhebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft. De Here, uw G’d, zal al deze vervloekingen op uw vijanden en uw haters leggen, die u vervolgd hebben.

Jes. 9:20; 20 En dit zal tot een teken en tot een getuigenis wezen voor de Here der heerscharen in het land Egypte. Wanneer zij tot de Here roepen vanwege verdrukkers, dan zal Hij hun een verlosser en een strijder zenden, die hen zal redden.

Van wie komt de verlossing? Van G’d zelf. Heel het boek Hosea getuigd tegen Efraïm als een volk dat ondergegaan is in het heidendom, de dochter Ohola zoals de Here Efraïm noemt in Ezech 23. zie Hosea 9:16-17.Mijn G'd zal hen verwerpen, omdat zij naar Hem niet geluisterd hebben; en zij zullen dolende zijn onder de volken. Aan de dood overgegeven. Maar daar komt verandering in zoals de Here belooft in het boek Hosea, hfst.14:5 Ik zal hen van hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefheben, want Mijn toorn keert zich af van hen.
Of neem Hosea 2:18-22, daarin zegt de Here dat Hij zich over Lo-Ruchama en Lo-Ammi zich zal ontfermen en tot een bruid verwerven.
De profeet Hosea heeft het in het gedeelte hfst. 5:14 tot 6:11, steeds over Juda en Efraïm.
Ook dat beiden na twee dagen zullen herleven en in de derde dag zullen leven. Samen zullen ze de Here dienen in die derde eeuw.
Dan komt de zegen; even overvloedig als de late regen wanneer de Here na 2 dagen tot zijn volk komt. En we samen één volk zijn.

Nog een laatste profetie over de samenvoeging van de twee volken. Hosea 1:9-11; “, Toen zeide hij: Noem hem Niet-mijn-volk; want gij zijt mijn volk niet, en ik zal niet met u zijn. Maar eens zullen de zonen Israëls talrijk zijn als het zand der zee, dat gemeten noch geteld kan worden, en in stede dat men tot hen zal zeggen: Gij zijt mijn volk niet -- zal men hen zonen van den levenden G’d noemen. De zonen van Juda en die van Israël zullen zich verenigen, een en dezelfden tot hun hoofdman aanstellen en uit het land optrekken; want groot is de dag van Jizreël.”, Lei.


Twee volken
De tien stammen