www.wimjongman.nl

(homepagina)


De zevenjarige Verdrukking: is het er al, of niet?

Gary Stearman - 11 augustus 2026

()

Er is momenteel een belangrijke discussie gaande in profetische kringen. Deze draait om de duur van de periode die Jezus zelf in Mattheüs 24:21 de „grote verdrukking” noemt.

Duurt de Verdrukking zeven jaar, of slechts drieënhalf jaar? Er wordt vaak aangevoerd dat de talrijke verwijzingen in Daniël en Openbaring naar ‘een tijd, tijden en een halve tijd,’ ‘duizend tweehonderdzestig dagen’ en ‘tweeënveertig maanden’ alleen een Verdrukking van drieënhalf jaar zouden ondersteunen. Deze, zo zeggen zij, vormen het bewijs dat deze periode slechts de helft is van de traditioneel berekende zeven jaar.

Om verschillende redenen houden wij nog steeds vast aan de traditionele leer dat de eigenlijke Verdrukking zeven volle jaren duurt.

Bovendien zijn betrouwbare uitleggers het erover eens dat er een overgangsperiode aan vooraf moet gaan, die volgt op de opname van de gemeente. Deze periode zou wel eens drie jaar kunnen duren, waardoor de wereld een periode van tien jaar van geestelijke losbandigheid en mentale onrust tegemoet gaat, gevolgd door een ongekende fysieke catastrofe.

Uit een bestudering van de relevante Bijbelteksten blijkt dat er een bepaalde tijd moet verstrijken – zeker meer dan drie of vier jaar – om de volledige ontplooiing van de geprofeteerde gebeurtenissen in de Verdrukking mogelijk te maken.

Dit geldt zowel voor de periode voorafgaand aan de Verdrukking als voor de openbaring en de machtsovername van de Antichrist. Nadat de Gemeente en Gods Heilige Geest uit hun huidige invloedssfeer zijn weggenomen, kunnen deze sleutelelementen op hun plaats vallen.

Pas dan, en alleen dan, zullen bepaalde factoren de definitieve afrekening met de voorspelde wereldregering en haar hoofdrolspelers versnellen – met de Antichrist zelf als belangrijkste figuur.

WAAROM MOET ER EEN GROTE VERDROUKING KOMEN?

Een vaak herhaalde waarheid is dat de Verdrukking moet worden onderscheiden van verdrukking in het algemeen.

In het boek Job vinden we een man die zo’n verdrukking doormaakt, vergezeld door zijn vrienden. Samen worstelen ze met de oplossing voor zijn probleem. Elifaz, een van Jobs raadgevers, zegt: „De mens is immers geboren voor verdrukking, zoals vonken omhoog vliegen“ (Job 5:7). In dit beklijvende beeld schildert hij de mens af als een dwaas wezen wiens aard het is om in moeilijkheden terecht te komen. In feite is dit het verhaal van de Bijbel, aangezien de mens door zijn overtreding merkt dat zijn leven gekenmerkt wordt door de ene vorm van verdrukking na de andere.

Zoals opgetekend in Johannes 16:33, zei Jezus vrijwel hetzelfde tegen Zijn discipelen: „Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij vrede in Mij zoudt hebben. In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar wees van goede moed: Ik heb de wereld overwonnen.”

Zijn woorden zijn bedoeld om degenen die Hij heeft uitgekozen te troosten, maar ze geven ook een zeer reëel gevolg weer van het leven van de mens op aarde. Hij is geboren om verdrukking te ondergaan.

Nu we dit hebben opgemerkt, is het belangrijk om een duidelijk onderscheid te maken tussen algemene verdrukking en de specifiek voorspelde periode die bestemd is voor het Huis van David en de twaalf stammen van Israël. Bedenk dat Israël de geestelijke naam is die God aan de vader van de twaalf stammen heeft gegeven.

„En hij zei: Je naam zal niet langer Jakob zijn, maar Israël; want als een vorst heb je macht bij God en bij de mensen, en je hebt overwonnen“ (Genesis 32:28).

De aanleiding voor deze uitspraak was Jakobs worsteling die de hele nacht duurde met de engel van de Heer, die hem een nieuwe koninklijke titel en een bijzondere belofte gaf. Vanaf dat moment zouden Israël en zijn nageslacht een bijzondere macht en roeping hebben.

Ze hadden ook Gods steun, zodat, hoe zwaar ze ook werden vervolgd, de belofte van herstel altijd voor hen gewaarborgd was.
In sterke zin is dit de reden voor de komende Verdrukking. Het dertigste hoofdstuk van Jeremia spreekt welsprekend over het uiteindelijke herstel van Israël en Juda in het Beloofde Land.

Jeremia 30:3 zegt: „Want zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik de ballingschap van Mijn volk Israël en Juda zal terugbrengen, spreekt de HEERE; en Ik zal hen doen terugkeren naar het land dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het in bezit nemen.”

In hetzelfde hoofdstuk worden vervolgens de omstandigheden van hun terugkeer beschreven. Jeremia schetst een angstaanjagend beeld, dat aanleiding geeft tot een uitdrukking die op een bijzondere manier de Verdrukking is gaan symboliseren.

6 Vraagt nu eens en ziet of een man als een vrouw in barensnood kan zijn? Waarom zie ik dan iedereen met zijn handen op zijn lendenen, als een vrouw in barensnood, en zijn alle gezichten bleek geworden? 7 Wee! Want die dag is groot, zodat er geen andere aan te vergelijken is; het is inderdaad de tijd van Jakobs benauwdheid; maar hij zal eruit gered worden. 8 Want het zal geschieden op die dag, zegt de HEERE der heerscharen, dat Ik zijn juk van uw nek zal breken en uw banden zal verscheuren, en vreemdelingen zullen zich niet meer van hem bedienen; 9 maar zij zullen de HEERE, hun God, dienen, en David, hun koning, die Ik voor hen zal doen opstaan” (Jeremia 30:6-9)

Hier zien we alle klassieke beelden van de Verdrukking. Jeremia spreekt over de barensweeën die gepaard zullen gaan met de wedergeboorte van Israël in het Land. We zien ook de vermelding van ‘die dag.’ Dit is ‘de dag des Heren,’ die Israël zal bevrijden van de heidense ketenen waaronder het eeuwenlang heeft gezwoegd. Ten slotte voorziet Jeremia het herstel van de troon van David, waarop Jezus zal zitten.

Dit is specifiek een profetie over de laatste dagen, waarin de Heer Jakob – Israël – zal verlossen en met hem een nieuw verbond zal sluiten, niet geschreven op stenen tafelen, maar in de harten van Zijn volk.

Het belangrijkste resultaat van de Verdrukking is dus het herstel van Israël in het Land. Het is de tijd van „Jakobs benauwdheid,“ niet die van de „heidenen.“
In Daniëls grote profetie over de zeventig weken zien we een andere invalshoek van dezezelfde openbaring:

„Zeventig weken zijn vastgesteld over uw volk en over uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, een einde te maken aan de zonden, verzoening te brengen voor de ongerechtigheid, eeuwige gerechtigheid te brengen, het visioen en de profetie te verzegelen en het Allerheiligste te zalven“ (Daniël 9:24).

Wat deze uitspraak betreft, is het belangrijk te beseffen dat deze voor Israël bedoeld is. De zeventig weken (of zeventig zevens) zijn specifiek gericht op ‘uw volk,’ met andere woorden Israël, en ‘uw heilige stad,’ oftewel Jeruzalem. Dit is een tijdsgebonden profetie waarvan de belangrijkste gevolgen uitsluitend betrekking hebben op Israël, niet op de heidenen.

Het bovenstaande vers noemt zes specifieke doelstellingen die de periode van de „zeventig weken“ voor Israël zal bewerkstelligen.

Ten eerste zal er een einde komen aan de „overtreding“ van Israël. Haar falen om Gods verbond door de eeuwen heen na te leven, zal uiteindelijk door de Heer op genadige wijze worden beëindigd. Zijn komst aan het einde van de laatste week zal de grote verzoening voor Zijn volk, Israël, brengen.

Ten tweede zullen de ‘zonden’ ophouden. De eeuwenlange zonden van Israël zullen eindelijk worden uitgewist.

Ten derde wordt de ‘onrechtvaardigheid’ die Israël sinds zijn ontstaan heeft getoond door het niet naleven van de Wet van Mozes, verzoend.

Ten vierde zal ‘eeuwige gerechtigheid’ komen. Dit is natuurlijk de belofte van het Messiaanse Koninkrijk.

Ten vijfde zullen Daniëls ‘visioen en profetie’ eindelijk in vervulling gaan en voor eens en voor altijd bezegeld worden. De uitspraken van de profeten zullen eindelijk werkelijkheid worden.

Ten zesde zal het ‘Allerheiligste’ op krachtige wijze werkelijkheid worden, aangezien Christus en Zijn tempel de basis vormen voor een duizendjarig Koninkrijk. Uiteindelijk moet er een letterlijke, fysieke tempel zijn.

De eerste negenenzestig van deze weken markeren de tijd vanaf het decreet om Jeruzalem te herstellen na de Babylonische ballingschap, tot aan de kruisiging van Christus. Nadat deze zijn vervuld, zien we dat het volk van Daniël een onbepaalde periode van vervolging ingaat. Tegenwoordig noemen we dit de ‘Diaspora.’

25 Weet dan en begrijp: vanaf het uitgaan van het bevel om Jeruzalem te herstellen en te bouwen tot aan de Messias, de Vorst, zullen er zeven weken en tweeënzestig weken zijn; de straat zal weer worden aangelegd, evenals de muur, zelfs in tijden van onrust. 26 En na tweeënzestig weken zal de Messias worden uitgeroeid, maar niet voor zichzelf; en het volk van de vorst die zal komen, zal de stad en het heiligdom verwoesten; en het einde daarvan zal met een vloed zijn, en tot het einde van de oorlog zijn verwoestingen vastgesteld” (Daniël 9:25,26).

Na de verwoesting van Jeruzalem en de Tempel in 70 n.Chr. werd Israël geteisterd door de ene ramp na de andere, totdat het volk uiteindelijk het land werd uitgejaagd en in vele landen zijn heil moest zoeken. Het „volk van de vorst die zal komen“ – de Romeinen – zorgde ervoor dat Israël en Juda tot aan de uiteinden van de aarde werden achtervolgd. Maar het einde van de profetie betreft een komende vorst die een genetische afstammeling is van de Romeinen, met name van het koninklijk huis van Titus en Vespasianus, de verwoesters van de Tempel. Hij is de antichrist.

Elders hebben we beschreven hoe de Seleucidische dynastie, waartoe ook Antiochus IV Epiphanes behoorde, door huwelijken verbonden raakte met deze Romeinse koninklijke huizen. Antiochus, een type van de Antichrist, stichtte juist die bloedlijn die de Antichrist van de laatste dagen zal voortbrengen. Tegenwoordig heeft deze Romeinse afstamming zich over de hele wereld verspreid. Niemand kan zijn precieze oorsprong achterhalen. Maar de bloedlijn van de boze prins wacht op zijn moment in de geschiedenis.

DE ZEVENTIGSTE WEEK

Het zal eenvoudig zijn om het begin van Daniëls zeventigste week te herkennen. Deze wordt gekenmerkt door het moment waarop de komende vorst (de Antichrist) zich achter Gods eeuwenoude verbond met Israël schaart. Dit omvat ook het verbond betreffende het Land, gesloten met Abraham:

„En hij zal het verbond met velen voor één week bevestigen; en in het midden van de week zal hij het offer en de graanofferande doen ophouden, en vanwege de overvloed aan gruwelen zal hij het verwoesten, tot aan de voleinding toe, en het vastgestelde zal over de verwoesting worden uitgestort“ (Daniël 9:27).

Opnieuw zien we dat deze zeventigste „zeven“ (een „week“ genoemd) specifiek gericht is op de vervulling van de profetie in Israël. Het betreft tempeloffers, besmet door de kwade en occulte gruwelen die in andere passages over de Antichrist worden toegelicht.

Het belangrijkste is echter dat we zien dat de handeling waarmee de week begint, de bekrachtiging van het verbond door de antichrist is. Tot het moment dat hij deze handeling verricht, blijft de hele week onvervuld.

Sommigen, die pleiten voor een verkorte Verdrukking, hebben gesuggereerd dat een deel van de week mogelijk al is verstreken tijdens de tijd van de eerste komst van de Heer, maar dat kan simpelweg niet het geval zijn. Als dat wel zo was, zou men niet kunnen zeggen dat hij het verbond voor één week bevestigt.

Wat het volk Israël betreft, is het de wens van de Heer dat zij volledig op Zijn leiding vertrouwen. In het vierde hoofdstuk van Deuteronomium legt Mozes aan zijn volk uit waarom zij Zijn geboden moeten onderhouden. Hij profeteert dat hun verzuim om dit te doen er in de toekomst toe zal leiden dat zij onder de volken van de wereld zullen worden verstrooid. Deze profetie bevat de volgende uitspraak:

30 Wanneer je in verdrukking verkeert en al deze dingen over je zijn gekomen, zelfs in de laatste dagen, en je je tot de HEER, je God, wendt en gehoorzaam bent aan Zijn stem: 31 (Want de HEERE, uw God, is een barmhartige God;) dan zal Hij u niet verlaten, noch u vernietigen, noch het verbond van uw vaderen vergeten, dat Hij hun gezworen heeft.” (Deuteronomium 4:30,31).

Hier wordt de Verdrukkingsperiode aangeduid als het hoogtepunt van meerdere millennia van ongehoorzaamheid. Maar Mozes wil zijn volk laten weten dat God, zelfs na al die tijd, het verbond dat Hij met hen heeft gesloten niet zal vergeten.

Het enige wat Hij verlangt, is dat zij oprecht en in berouw Zijn macht en toereikendheid erkennen. In Daniël 12:7, dat verwijst naar de tweede helft van de Grote Verdrukking, zien we dezelfde gedachte verwoord:

„En ik hoorde de man, gekleed in linnen, die boven de wateren van de rivier stond, toen hij zijn rechterhand en zijn linkerhand naar de hemel uitstrekte en zwoer bij Hem die eeuwig leeft, dat het een tijd, tijden en een halve tijd zal duren; en wanneer hij volbracht zal hebben de macht van het heilige volk te verstrooien, zullen al deze dingen ten einde zijn“ (Daniël 12:7).

Hier vertelt het „verspreiden“ van de macht van het „heilige volk“ (Israël) ons dat deze langdurige periode van lijden onder de antichrist een grimmige noodzaak is. Pas na de meest slopende beproevingen zal het overblijfsel van Israël zich eindelijk voor hun God en Koning buigen.

Door de eeuwen heen hebben zij koppig vastgehouden aan hun eigen ‘kracht,’ vertrouwend op hun eigen talenten en deugden, in plaats van op Gods voorziening. Zoals we zullen zien, legt de profetie van Daniël een ondubbelzinnig verband tussen het doorbreken van hun zelfvertrouwen en de volledige ontplooiing van een zevenjarige Verdrukking.

Er moet een periode van Verdrukking zijn, omdat dit het mechanisme is waarmee de Heer Israël zal herstellen en het Koninkrijk zal vestigen.

ANDERE REDENEN VOOR DE VERDRUKKING

In het hele Oude Testament zijn er talrijke profetieën die de periode van de Grote Verdrukking in verband brengen met Israël. Om er maar een paar te noemen: Joël, Jesaja, Ezechiël, Amos en Zacharia verwijzen naar de Dag des Heren, of zelfs ‘de grote en verschrikkelijke Dag des Heren’ (Joël 2:31), als een tijd van ongekende onrust die een nieuwe orde van de werkelijkheid op aarde inluidt.

Zoals we eerder opmerkten, met betrekking tot de tijd van Jakobs benauwdheid, richten deze profetieën zich altijd op Israël. In Deuteronomium zijn er verwijzingen naar de Verdrukking of benauwdheid. Jesaja en Jeremia verwijzen naar barensweeën die een nieuw Israël voortbrengen, dat uiteindelijk het aan Abraham toegezegde land in bezit neemt.

Jesaja noemt het ook „de Dag des Heren“ en „de Dag der Wraak.“ Elders wordt ernaar verwezen als een „Dag van benauwdheid, verwoesting, duisternis en toorn.“ Het lijdt geen twijfel dat de belangrijkste gevolgen zullen worden ondervonden door de natie via welke het aan de wereld werd geopenbaard, namelijk Israël.

In Lucas 21:22-25 brengt Jezus de Verdrukkingsperiode in verband met het einde van het tijdperk van heidense overheersing en de heropstanding van Israël:

22 Want dit zijn de dagen van wraak, opdat alles wat geschreven staat, vervuld moge worden. 23 Maar wee de zwangere vrouwen en de vrouwen die borstvoeding geven in die dagen! Want er zal grote benauwdheid zijn in het land, en toorn over dit volk. 24 En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard, en zullen als gevangenen worden weggevoerd naar alle volken; en Jeruzalem zal door de heidenen worden vertrapt, totdat de tijden van de heidenen vervuld zijn. 25 En er zullen tekenen zijn in de zon, en in de maan, en in de sterren; en op de aarde benauwdheid van de volken, in verwarring; de zee en de golven brullend;”

Tegelijkertijd zal de Verdrukking een einde maken aan de lange periode van gerechtelijke verblinding die over Israël is gebracht als straf voor het niet naleven van de Mozaïsche Wet en de verwerping van Jezus, de Messias. Romeinen 11:25 maakt duidelijk dat met het einde van de heidense bedeling de verblinding van Israël zal ophouden:

“Want ik wil niet, broeders, dat u onkundig bent van dit mysterie, opdat u niet wijs bent in uw eigen ogen; dat een gedeeltelijke verblinding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengekomen.”

De Verdrukking zal ook een ongekende periode van messiaanse verwachting met zich meebrengen, die zal leiden tot een opwekking van grootsse omvang. Het zevende hoofdstuk van Openbaring vertelt over de verzegeling van een geestelijke voorhoede, afkomstig uit de twaalf stammen van Israël – de 144.000. Zij worden getoond in de context van een grote opwekking die de hele wereld omvat.

Terwijl Israël wordt verheven tot zijn geprofeteerde heerschappij over de heidense wereld, zal de Grote Verdrukking ook de aarde zuiveren van goddeloze mensen en de invloed van goddeloosheid, zoals te zien is in Jesaja 13:6-11:

6 Huil, want de dag van de HEERE is nabij; hij zal komen als een verwoesting van de Almachtige. 7 Daarom zullen alle handen verslappen, en het hart van ieder mens zal smelten; 8 en zij zullen bevreesd zijn; weeën en smarten zullen hen overvallen; zij zullen pijn lijden als een vrouw in barensnood; zij zullen elkaar vol verbazing aankijken; hun gezichten zullen als vlammen zijn. 9 Zie, de dag van de HEER komt, wreed, vol toorn en hevige grimmigheid, om het land te verwoesten; en Hij zal de zondaars daaruit vernietigen. 10 Want de sterren van de hemel en de sterrenbeelden daarvan zullen hun licht niet geven; de zon zal verduisterd worden bij haar opgang, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. 11 En Ik zal de wereld straffen voor hun kwaad, en de goddelozen voor hun ongerechtigheid; en Ik zal een einde maken aan de hoogmoed van de hoogmoedigen, en de trots van de verschrikkelijken vernederen.”

ÉÉN SUPERMAN – ZEVEN JAAR

We hebben het begin van Daniëls zeventigste week al bekeken als de tijd waarin de antichrist het verbond met Israël bekrachtigt. Het is de moeite waard te herhalen dat, aangezien deze daad de week inluidt, deze een reeks gebeurtenissen in gang zet die zeven jaar in beslag zal nemen.

Op het moment van schrijven wacht de week nog op vervulling. Sommigen hebben gezegd dat, aangezien er in de hele Bijbel slechts één keer naar deze week van zeven jaar wordt verwezen (in Daniël 9:27), dit onvoldoende bewijs biedt dat de Verdrukking werkelijk een periode van zeven jaar is. Zoals hierboven opgemerkt, pleiten zij daarom voor een periode van drieënhalf jaar.

Maar Daniëls volledige uiteenzetting over de heerschappij van de antichrist wordt pas in hoofdstuk elf gegeven. De 45 verzen van dit hoofdstuk zijn gewijd aan een verslag van de heersende machten die afstammen van Alexander de Grote, na diens dood in 323 v.Chr. Alexander, de „machtige koning“ uit Daniël 11:3, werd de aanvoerder van een leger dat de wereld beheerste.

Cassander, Lysimachus, Ptolemaeus en Seleucus, de vier generaals onder wie zijn koninkrijk vervolgens werd verdeeld, worden door Daniël beschreven. Maar halverwege het hoofdstuk worden alleen Ptolemaeus en Seleucus genoemd. Tegen het einde van het hoofdstuk wordt de aandacht beperkt tot alleen Seleucus, gevolgd door zijn dynastie. Het beruchtste lid van deze dynastie is Antiochus IV Epiphanes (in Daniël 11:21 de ‘verachtelijke man’ genoemd), aan wie een uitgebreide beschrijvende passage is gewijd.

Daniël 11:21 tot en met 35 zijn gewijd aan een van de meest gedetailleerde beschrijvingen van de antichrist in de Schrift. Antiochus is een type van deze boosaardige man, die volledig in beslag wordt genomen door een allesverslindende haat tegen Israël. Hij probeert zelfs hun ‘heilig verbond’ met God omver te werpen. Maar Antiochus is slechts een type van de grimmige werkelijkheid die in de dagen van de Verdrukking zal opkomen.

Daniël 11:36-45 geeft ons vervolgens een blik op die werkelijkheid – de profetie over de zogenaamde ‘eigenzinnige koning.’ Vrijwel alle betrouwbare uitleggers beschouwen deze koning als de antichrist. Hij is de ultieme megalomaan, die zichzelf zelfs boven God verheft. De profetie van Daniël onthult hem als een vreemde man met bizarre macht, die zich overgeeft aan duistere praktijken en wellustige begeerten:

36 En de koning zal handelen naar zijn eigen wil; hij zal zich verheffen en zich boven elke god verheffen, en wonderlijke dingen spreken tegen de God der goden, en het zal hem voorspoedig gaan totdat de toorn volbracht is; want wat besloten is, zal geschieden. 37 Hij zal geen acht slaan op de God van zijn vaderen, noch op de begeerte van vrouwen, noch op enige god; want hij zal zich boven alles verheffen. 38 Maar in zijn koninkrijk zal hij de God der krachten eren; en een god die zijn vaderen niet kenden, zal hij eren met goud, zilver, edelstenen en kostbare goederen. 39 Zo zal hij handelen in de sterkste vestingen met een vreemde god, die hij zal erkennen en met glorie verheerlijken; en hij zal hen over velen laten heersen en het land verdelen om er winst mee te maken” (Daniël 11:36-39).

Deze profetie toont de Antichrist in de ontwikkelingsfase van zijn heerschappij. Hij is vrij om zijn wil uit te oefenen en zich over te geven aan de meest flagrante zelfverheerlijking. Bovendien zal hij blijkbaar de macht hebben om wonderbaarlijk krachtige woorden tegen God te spreken – hij zal God uitdagen en een tijdlang lijken te winnen! Niet alleen dat, er wordt gezegd dat hij gedurende de Verdrukking „succes“ zal hebben. Dat wil zeggen: zelfs terwijl de wereld wordt geteisterd door allerlei soorten fysieke en geestelijke omwentelingen, zullen zijn plannen slagen, tot aan het einde van de Grote Verdrukking toe.

Hij zal zich profileren als een unieke en fenomenale man, wiens macht en doel uiteindelijk als volkomen satanisch zullen worden onthuld. Zonder steun van familie of een traditioneel geloof in God zal hij zich profileren als de ultieme aartsvijand, onbelemmerd door enige verantwoordelijkheid.

Ongetwijfeld zal hij de verering van de oude heidense goden nieuw leven inblazen. Meer nog, de wereld zal hem zien als iemand die bekrachtigd wordt door intelligente buitenaardse krachten, die zich wellicht voordoen als de oude scheppers van de mensheid, die nu zijn teruggekeerd om de balans op te maken van hun werk en dit naar een nieuw evolutionair niveau te tillen. Hoe dan ook, de antichrist zal zeker inspelen op de moderne mythologieën van de mensheid, waaronder het wijdverbreide geloof dat occulte buitenaardse intelligenties aanwezig zijn en de mens de hoop op nieuw leven bieden.
Het is duidelijk dat de verzen 36 tot en met 39 spreken over de opeenvolging van gebeurtenissen die de antichrist naar zijn hoogtepunt brengen, wat Jezus in Mattheüs 24:15 „de gruwel der verwoesting“ noemde.

Maar Jezus plaatst deze gebeurtenis in het midden van de Verdrukking, niet aan het einde. Hij waarschuwt de mensen in Judea (niet de heidense wereld) om naar de bergen te vluchten wanneer zij deze ontheiliging van de Tempel zien. Hij waarschuwt hen om niet eens te stoppen om hun bezittingen mee te nemen, maar om voor hun leven te rennen. Vervolgens zegt Hij:

„Want dan zal er een grote Verdrukking zijn, zoals er sinds het begin van de wereld tot nu toe nog nooit is geweest, en zoals er ook nooit meer zal zijn“ (Matteüs 24:21).

Met andere woorden: het ergste deel van de Verdrukking komt na de gruwel der verwoesting! De gangbare opvatting is dat deze term verwijst naar de oordelen in de tweede helft van de Verdrukking. Als we de machtsovername van de Antichrist, zijn politieke consolidatie in de strijd tegen zijn tegenstanders, zijn economische ontwikkeling en zijn aanspraak op goddelijkheid – plus de Grote Verdrukking – binnen een krappe en beperkende periode van drieënhalf jaar willen plaatsen, is er simpelweg niet genoeg tijd om alle geprofeteerde gebeurtenissen te laten plaatsvinden.

Als we terugkeren naar het beeld dat Daniël schetst, ontdekken we dezelfde noodzaak voor een periode van zeven jaar. Daniël 11:40–45 vertellen over de periode rond het moment waarop hij voor het eerst zijn aanspraak op goddelijkheid begint te verkondigen:

40 En in de tijd van het einde zal de koning van het zuiden hem aanvallen; en de koning van het noorden zal als een wervelwind tegen hem optrekken, met strijdwagens, ruiters en vele schepen; en hij zal de landen binnendringen, ze overspoelen en doorkruisen. 41 Hij zal ook het glorieuze land binnendringen, en vele landen zullen worden verwoest; maar deze zullen aan zijn greep ontsnappen: namelijk Edom, Moab en de leiders van de Ammonieten. 42 Hij zal ook zijn hand uitstrekken naar de landen, en het land Egypte zal niet ontkomen. 43 Maar hij zal macht hebben over de schatten van goud en zilver, en over alle kostbaarheden van Egypte; en de Libiërs en de Ethiopiërs zullen in zijn voetsporen treden. 44 Maar berichten uit het oosten en uit het noorden zullen hem verontrusten; daarom zal hij met grote woede optrekken om te vernietigen en velen volkomen uit te roeien. 45 En hij zal de tenten van zijn paleis opslaan tussen de zeeën op de glorieuze heilige berg; toch zal hij aan zijn einde komen, en niemand zal hem helpen.”

In deze verzen wordt heel duidelijk gemaakt dat niet iedereen het eens is met zijn aanspraak op wereldleiderschap. Verschillende machten – koningen van het zuiden, het oosten en het noorden – proberen zijn plannen te dwarsbomen. Ook wordt getoond dat hij in oorlog is met verschillende machten in het Midden-Oosten.

Maar let vooral op de verzen 44 en 45, waar zijn troepen met kracht worden uitgezonden en die vijanden vernietigen – „om velen uit te roeien.“ Hier geeft de oorspronkelijke taal aan dat hij hen „afsnijdt“ of „wegvaagt.“
Vervolgens vestigt hij zijn hoofdkwartier ‘tussen de zeeën,’ dat wil zeggen tussen de Middellandse Zee en de Dode Zee. Hij verblijft in Jeruzalem, ‘op de glorieuze heilige berg.’ Met andere woorden: hij regeert vanaf de berg Sion. Hij is zegevierend.

Dit alles heeft plaatsgevonden vóór zijn definitieve verklaring dat hij God is. Hoe weten we dit? Omdat het allereerste volgende vers – Daniël 12:1 – een even duidelijke verwijzing is naar de tweede helft van de Grote Verdrukking als men maar ergens in de Schrift kan vinden:

„En te die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst die opkomt voor de kinderen van uw volk: en er zal een tijd van benauwdheid zijn, zoals er nog nooit een is geweest sinds er een volk bestaat, tot aan diezelfde tijd toe; en te die tijd zal jouw volk worden gered, een en iedereen die in het boek geschreven staat.” (Daniël 12:1).

WELKE TIJD?

Hier moeten we een vraag stellen over de uitdrukking „die tijd“ in het bovenstaande vers. Heel eenvoudig gezegd: we moeten weten naar welke tijd wordt verwezen. En die tijd wordt duidelijk aangegeven door de context waarnaar wordt verwezen, namelijk de tijd van de machtsovername door de antichrist, zijn uitroeping tot god en zijn succesvolle campagne tegen zijn vijanden. Dit is de periode die in de voorgaande verzen wordt geschetst – Daniël 11:36-45.

Al deze details moeten worden opgehelderd voordat hij zich kan manifesteren als de beruchte tiran uit Openbaring 13. Hier zien we ‘die tijd’ als het begin van de meest gewelddadige periode – de tweede helft van de zeven jaar. En op ‘die tijd’ zal Michaël, de aartsengel die namens God voor Israël strijdt, opstaan en zijn verdediging serieus beginnen.

Dit komt precies overeen met Openbaring 12:6-8, en de gebeurtenissen die duidelijk het begin markeren van de tweede helft van Daniëls zeventigste week:

6 En de vrouw vluchtte de woestijn in, waar zij een plaats had bereid door God, opdat zij haar daar duizend tweehonderd en zestig dagen zouden voeden. 7 En er was oorlog in de hemel: Michaël en zijn engelen vochten tegen de draak; en de draak vocht en zijn engelen, 8 maar zij konden niet standhouden; en hun plaats werd niet meer gevonden in de hemel.” (Openbaring 12:6-8)

Hier komen de 1.260 dagen (drieënhalf jaar) exact overeen met de periode waarnaar Daniël verwijst. Het is de tijd van de benauwdheid van Jakob, wanneer Israël onderduikt. Dit had niet kunnen plaatsvinden tijdens de heerschappij van de antichrist, terwijl hij bezig was zijn positie te versterken en de heidense machten onder controle te houden die hem wilden verslaan.

In feite verwijst Daniël 12:5-7 naar deze periode van drieënhalf jaar als „een tijd, tijden en een halve tijd.“ Met andere woorden: vanaf het moment dat de Antichrist zijn hoofdkwartier op de berg Sion vestigde, tot het einde van de Grote Verdrukking zullen er drieënhalf jaar verstrijken:

5 Toen keek ik, Daniël, en zie, daar stonden nog twee anderen, de ene aan deze kant van de oever van de rivier, en de andere aan die kant van de oever van de rivier. 6 En de ene zei tegen de man in linnen, die boven de wateren van de rivier stond: Hoe lang duurt het nog tot het einde van deze wonderbare gebeurtenissen? 7 En ik hoorde de man in linnen, die boven de wateren van de rivier stond, toen hij zijn rechterhand en zijn linkerhand naar de hemel uitstrekte en zwoer bij Hem die eeuwig leeft, dat het een tijd, tijden en een half; en wanneer hij erin geslaagd zal zijn de macht van het heilige volk te verstrooien, zullen al deze dingen voltooid zijn.” (Daniël 12:5-7).

Zoals eerder vermeld, vindt deze ‘verstrooiing’ of het breken van de zelfgenoegzame arrogantie van een trots Israël plaats aan het einde van de Grote Verdrukking, niet aan het begin. De vraag die hier wordt gesteld is: ‘Hoe lang duurt het nog tot het einde? ” Het is volkomen duidelijk dat de tijd waar het om gaat, is: „Hoe lang duurt het vanaf het moment dat de antichrist zijn paleis tussen de zeeën vestigt tot het einde van de Grote Verdrukking?”

Het antwoord is drieënhalf jaar, met de bepaling dat er aan het einde nog een extra periode zal zijn. Om dit punt te benadrukken, wordt in Daniël 12:11 nogmaals de gruwel der verwoesting genoemd:

„En vanaf het moment dat het dagelijkse offer wordt afgeschaft en de gruwel die verwoesting brengt wordt opgericht, zullen er duizend tweehonderdnegentig dagen zijn.” (Daniël 12:11).

In de Olijfberespreek in Mattheüs 24 zegt Jezus tegen de mensen in Judea dat ze moeten vluchten wanneer ze deze gruwel zien. De vergelijkingspunten in Daniël, Mattheüs en Openbaring tonen onomstotelijk aan dat de antichrist een aanzienlijke hoeveelheid tijd nodig heeft – ten minste drieënhalf jaar – om zijn macht te vestigen.

Daarna wordt Israël nog eens drieënhalf jaar lang vervolgd. Dat komt neer op zeven jaar, plus een extra periode:

„Gezegend is hij die volhardt en de duizend driehonderd vijfendertig dagen bereikt“ (Daniël 12:12).

Daniël wordt hier verteld dat de laatste drieënhalf jaar van de Verdrukking een aanvulling zouden krijgen. Eerst wordt ons in vers 11 verteld over nog eens 30 dagen, waarmee het totaal op 1.290 dagen komt. Vervolgens wordt ons in vers 12 meegedeeld dat er daarna nog een zegen zal zijn voor degenen die wachten tot 1.335 dagen zijn verstreken. Hierdoor duurt de tweede helft van de Grote Verdrukking drieënhalf jaar, met daarbovenop nog eens tweeënhalve maand. De meeste uitleggers zijn het erover eens dat deze korte periode overeenkomt met de tijd van de wederkomst van Christus aan het einde van de Verdrukking.

En wat is die zegen? Mogelijk is het de tijd van het oordeel en de vervolging van het beest en de valse profeet, zoals beschreven in Openbaring 19. Wat het ook moge zijn, het ligt buiten de zeven jaar van Daniëls zeventigste week.

DE EERSTE HELFT VAN DE WEEK

Aangezien er een profetisch belangrijke periode volgt in de Verdrukking, zou het dan ook één kunnen zijn vóór de zeven jaar? Met specifieke verwijzing naar de Antichrist: in hoeverre vindt zijn ontwikkeling plaats vóór de bekrachtiging van het verbond met Israël (Daniël 9:27)? Wanneer het Lam het eerste zegel achtereenvolgens opent, trekt de Antichrist als een overwinnaar voort:

“En ik zag, en zie, een wit paard; en hij die erop zat, had een boog; en hem werd een kroon gegeven; en hij trok uit, overwinnend en om te overwinnen. ” (Openbaring 6:2).

Hier trekt de valse messias als overwinnaar ten strijde. Dit zegel markeert het begin van zijn activiteiten om een rijk op te bouwen. Maar op dit moment kan nog niet met zekerheid worden gezegd dat hij het verbond met de leiders van Israël heeft bekrachtigd. Het witte paard van de Antichrist en de andere drie paarden die hem vergezellen, lijken slechts het prille begin van zijn kwaadaardige rijk te markeren. Er zal veel tijd nodig zijn voordat hij de strijd aangaat met Gods twee getuigen en de legers van de heidense wereld, om vervolgens op bovennatuurlijke wijze te worden onthuld als de incarnatie van Satan.

Hier zijn de woorden van dr. Arnold Fruchtenbaum, in *The Footsteps of the Messiah*, zeer toepasselijk:

„Wanneer de Antichrist dus een zevenjarig verbond met Israël sluit, begint de laatste week, oftewel de laatste zeven jaar van Gods profetische tijdklok voor Israël, weg te tikken. Dit, en alleen dit, is het startpunt van de zeven jaar van de Verdrukking. “In het licht hiervan zou het heel duidelijk moeten zijn dat niet de Opname de Verdrukking inluidt. Zoals reeds is aangetoond, zal de Opname ergens vóór de Verdrukking plaatsvinden. Deze kan vlak vóór de Verdrukking plaatsvinden, of een aantal jaren vóór de Verdrukking.”

Andere bekende uitleggers zijn dezelfde mening toegedaan. Als de Opname bijvoorbeeld twee of drie jaar vóór de Grote Verdrukking zou plaatsvinden, dan zou de wereldregering van Mysterie-Babylon een periode van samenvoeging kunnen inluiden die ruim vóór de bekrachtiging van het verbond door de Antichrist en het begin van de zeventigste week van Daniël zou worden afgerond.

Wanneer de Antichrist dus tevoorschijn komt op het rode paard van de oorlog, het zwarte paard van de economische ineenstorting en het bleke paard van de dood, zal dat zijn om het bestaande geopolitieke systeem te vernietigen. Later zal hij het systeem dat hij heeft vernietigd vervangen door zijn eigen systeem – een duivels systeem van identificatiemerken en despotische controle.

MEER DAN TIEN JAAR?

Vanaf het moment van de Opname tot het einde van de 1.335 dagen van Daniël zou er wel eens een periode van meer dan tien jaar kunnen liggen. Het zou veel minder kunnen zijn, maar bepaalde typologische voorbeelden wijzen op een langere, in plaats van een kortere, periode. Eén ding is zeker: een wereldregering kan niet zonder strijd tot stand worden gebracht. De profetie van Daniël wijst hier met grote duidelijkheid op!

Evenmin kan deze van de ene op de andere dag worden gevestigd. Het consolideren van macht en het sluiten van verdragen met machtige facties zal tijd vergen. Pas dan zal de antichrist in de positie verkeren om iets te beloven.

Natuurlijk is zijn belofte aan Israël en zijn bevestiging van het verbond de factor die de zeventigste week in gang zet. Ten slotte zien we precies dit beeld in de profetie van Paulus over de antichrist. Zijn „mens der zonde“ kan pas worden geopenbaard nadat bepaalde noodzakelijke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Zijn profetie is op dit punt volkomen ondubbelzinnig:

3 Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden; want die dag zal niet komen, tenzij er eerst een afvalligheid komt en die mens der zonde geopenbaard wordt, de zoon des verderfs; 4 die zich verzet tegen en zich verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt; zodat hij als God in de tempel van God zit en zich voordoet alsof hij God is.” (2. Thessalonicenzen 2:3,4).

Paulus vertelt de Thessalonicenzen dat ‘die dag’ (de Dag des Heren) niet op korte termijn of zonder waarschuwing kan komen. Hij zegt dat er eerst twee dingen moeten gebeuren.

Ten eerste moet er een ‘afvalligheid’ plaatsvinden. Er zijn veel discussies ontstaan over wat dit betekent. Sommigen hebben gezegd dat de term duidt op een volledige afvalligheid, of het afkeren van het geloof in God. Anderen hebben gezegd dat het Griekse werkwoord hier mogelijk duidt op een „weggaan“ of „vertrekken.“ Daarmee geven zij aan te geloven dat hier wordt verwezen naar de Opname. In beide gevallen zou er een onbepaalde tijd verstrijken tussen deze „afvalligheid“ en de Verdrukking.

Ten tweede moet de „mens der zonde“ – de antichrist – geopenbaard worden. En we moeten erkennen dat dit slechts het begin is van zijn openbaring aan de wereld. Daarna zal, zoals we al hebben aangegeven, veel tijd nodig zijn voordat hij de machtsstructuren van de wereld in zijn greep krijgt en deze voor zijn eigen doeleinden kan inzetten. Vervolgens moet hij het verbond met Israël bekrachtigen voordat de Dag des Heren (de Verdrukking) kan beginnen.

Het staat vast dat de zeventigste week van Daniël zeven volle jaren duurt, plus wat extra tijd aan het begin en na het einde ervan. Deze week zal worden voorafgegaan door een periode van onbepaalde duur, mogelijk tot drie jaar lang. En daarna volgt er een „opruimingsperiode“ van tweeënhalve maand na de zevenjarige Verdrukking. Als trouwe gelovige in de Opname van de gemeente vóór de Verdrukking, wees dan dankbaar dat je nooit persoonlijk onder de antichrist zult lijden. Lang voordat hij aan de wereld bekend wordt – lang voordat hij het verbond met Israël bekrachtigt – zul je bij de Heer zijn.

Ook zul je de rampen van de Verdrukking niet meemaken. Je zult bij Hem zijn en toekijken hoe Hij de aarde voorbereidt op het Koninkrijks-tijdperk.

Bron: The Seven-Year Tribulation: Is it, or Isn’t It?