www.wimjongman.nl

(homepagina)


Een column van politiek journalist Amit Segal

Verkregen via WhatsApp

Het is zondag 20 september. De meest onthullende uitspraak van het perskorps in Gaza dit jaar kwam uit een podcast van een van de grootste sterren daaruit: “Als iemand zoiets zegt, laten veel journalisten hun camera zakken.”

Dat zegt Motaz Azaiza – een van de 100 invloedrijkste personen van 2024 volgens TIME en ‘Man van het Jaar’ bij GQ Middle East. Hij legt uit hoe journalisten in Gaza omgaan met geluiden die afwijken van het narratief van Hamas.

In de Palestijnse podcast Taqarob sprak Azaiza over een WhatsApp-groep waarin “alle journalisten uit Gaza zitten.” Wie daarbij denkt aan een gewone beroepsgroep voor journalisten, vergist zich. Het icoon van de groep is een Hamas-vlag en de beheerder is, zo vertelde Azaiza, de mediadirecteur van de grensovergang bij Rafah.

Azaiza is geen vriend van Israël. De door TIME onderscheiden journalist vierde 7 oktober en filmde hoe gijzelaars op straat in Gaza werden mishandeld, maar hield die beelden vervolgens achter. Toen Yahya Sinwar werd gedood, zei hij tegen mensen die om hem rouwden dat iedereen die geen gehoor had gegeven aan Sinwars oproep om de strijd met de vijand aan te gaan, “geen recht had om te rouwen en op te scheppen over de manier waarop hij stierf.” Sinwar, zo schreef hij, “wilde dat jullie in het veld stonden.”

Dat Gaza autoritair wordt bestuurd, is nauwelijks nieuws. Wie de situatie kritisch volgde, kon al langer vermoeden dat Hamas vanaf het begin probeerde de berichtgeving te sturen. Azaiza’s getuigenis is daarom niet alleen een aanklacht tegen Hamas. Ze roept vooral vragen op over de media die de berichten uit Gaza gretig overnamen.

Het Committee to Protect Journalists (CPJ) publiceerde in mei vorig jaar een artikel waarin het hoofd van het Palestijnse journalistensyndicaat de methoden van Hamas opsomde: dagvaardingen, verhoren, bedreigingen, mishandelingen, arrestaties, publicatieverboden, inmenging in de inhoud en surveillance. Zijn plaatsvervanger gaf toe dat de meeste journalisten in Gaza zichzelf inmiddels censureren.

Een fotograaf, die buiten het Nasser-ziekenhuis door agenten in burger bewusteloos was geslagen, vertelde het CPJ dat collega’s hem probeerden te helpen. Zij kregen toen te horen dat “de spion en de journalist één en dezelfde zijn”. Het CPJ merkte bovendien op dat veel van dit soort schendingen nooit worden gemeld, omdat de slachtoffers te bang zijn om erover te spreken.

Maar ondanks die kennis deed het CPJ uiteindelijk hetzelfde als veel buitenlandse media: het nam de berichtgeving uit Gaza over zonder voldoende rekening te houden met de druk waaronder journalisten daar werken. Twee jaar lang vormde de database van het CPJ met slachtoffercijfers een belangrijke basis voor de beschuldiging dat Israël systematisch journalisten als doelwit kiest.

In juni verwijderde het CPJ stilletjes twintig namen uit die database. Acht daarvan werden geschrapt nadat Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad overlijdensberichten hadden gepubliceerd waarin de omgekomen personen als hun eigen strijders werden genoemd. Het Meir Amit Center vond nog eens 23 vergelijkbare gevallen. En er zijn er ongetwijfeld meer.

“Totalitaire islamisten kapen de pers” is voor een mediaorganisatie nu eenmaal een veel pijnlijkere kop dan “Israël viseert de pers.”

De buitenlandse pers heeft de controle van Hamas jarenlang grotendeels genegeerd. Al in 2008 hield Hamas dagbladen van de Westelijke Jordaanoever tegen bij de grensovergang. Volgens het hoofd van het Palestijnse Journalistenverbond kregen de redacteuren te horen dat hun kranten Gaza pas binnen mochten als ze een verklaring ondertekenden waarin ze beloofden Hamas niet te bekritiseren.

In 2014 kwam het probleem opnieuw naar boven. De Foreign Press Association veroordeelde toen in ongewoon duidelijke bewoordingen de “flagrante, niet-aflatende, gewelddadige en onorthodoxe methoden” die tegen haar leden in Gaza werden gebruikt. Een woordvoerder van Hamas bevestigde vervolgens op de Libanese televisie wat er gebeurde: de veiligheidsdiensten, zo legde ze uit, “zouden hun wat tijd geven om hun berichtgeving aan te passen.”

Toen de oorlog uitbrak, had Hamas dus al jarenlang kunnen zien dat de buitenlandse pers de controle op de berichtgeving vanuit Gaza onvoldoende ter discussie stelde. Daardoor kon uiteindelijk zelfs één WhatsApp-groep – zonder buitenlandse journalisten als leden – grote invloed hebben op wat de rest van de wereld te zien en te horen kreeg.

Zal de wereld kennisnemen van de getuigenis van Azaiza? Waarschijnlijk niet. Het meest serieuze journalistieke werk uit zijn carrière zal vermoedelijk juist het minst worden aangehaald.

Amit Segal.