(homepagina)

Overgangen in het boek Handelingen

13 APRIL 2012

Door Dr Thomas Ice

Vrijwel alle studenten in de Bijbel zullen aangeven dat het boek Handelingen een overgang is van Israël naar de kerk, als het instrument van God, van wie Hij gebruik maakt voor het verspreiden van zijn boodschap. Er zijn drie belangrijke passages die goed moeten worden begrepen om te begrijpen waar deze overgang over gaat. Deze drie passages zijn Handelingen 1:3-10, 3:11-26; 15:6-21.

Ik wil van te voren zeggen dat het Nieuwe Testament ons leert dat de kerk een mysterie was (Rom. 16:25-27;. Efeziërs 3:3-9; Col 1:26-27), maar altijd een deel van Gods plan was voor de geschiedenis echter verborgen voor de mens totdat de apostel Paulus het onthulde in enkele van zijn geschriften. Zo is de kerktijd een tijdelijke fase in de geschiedenis, waarin het Evangelie gepredikt wordt, “totdat de volheid der heidenen (dat wil zeggen, letterlijk ‘het volledige aantal’) is binnengekomen” (Rom. 11:25). Als de Heer zijn doel met de kerk ten einde loopt, zal Hij Zijn bruid wegvoeren naar de hemel bij God om de incomplete tijd tijdens de 70e week van Daniël met Israël af te werken, ook wel bekend staat als de zevenjarige verdrukking.

Handelingen 1: 3-10

De eerste overgangspassage is te vinden in hoofdstuk 1 van Handelingen voordat de kerk ontstond in het volgende hoofdstuk. Ons wordt verteld door Lucas, dat na Zijn opstanding, Jezus herhaaldelijk verscheen aan Zijn discipelen tijdens een periode van veertig dagen “sprekende van de dingen van het Koninkrijk van God” (1:3). Waarom heeft Christus hen over het koninkrijk geleerd wanneer er zo veel andere dingen waren die Hij hen had geleerd? Het komt mij voor, want deze mannen waren alle joods, en hadden de grote toekomstverwachting van het Joodse volk dat de Messias zal komen om hen te regeren in een toekomstige aards koninkrijk, dan moeten ze daaraan gedacht hebben, want de Messias zijn overwinning over de dood betekende dat het koninkrijk nabij was, aan de hand. Zo’n mentaliteit komt tot uiting in de vraag die ze maar bleven herhalen [1] tegen Jezus zelfs op de dag van Zijn hemelvaart. “Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?” (1:6)? Het is duidelijk dat ze het Joodse koninkrijk verwachten, dat wij nu kennen als het millennium, dat zal komen op een bepaald moment in de geschiedenis. Maar God had andere plannen.

Het antwoord van Jezus aan Zijn discipelen over hun herhaalde vraag was: “ Het komt u niet toe de tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft, maar u zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde.”(1:7-8). Let op, Jezus berispte niet hun visie van het rijk zoals verwoord in vers 6, “het koningschap voor Israël.” Christus zei niet dat ze de verkeerde kijk op het koninkrijk hadden, omdat Hij het zou verschuiven van een letterlijk koninkrijk met Israël als centraal staande, naar een spiritueel/geestelijk koninkrijk. In plaats daarvan, was het antwoord van Christus wel iets over het tijdstip van de vestiging van dit koninkrijk van Israël maar werd hun aandacht gericht naar de oprichting van de op handen zijnde kerktijd in een vijfde herhaling van de Grote Opdracht. [2]

Opgemerkt moet worden dat toen het volk van Israël officieel Jezus verworpen heeft als haar Messias bij Zijn eerste komst in Matteüs 12, Jezus komt met de verborgenheden van het Koninkrijk programma in Mattheüs 13. De essentie van Zijn onderwijs in Mattheüs 13 is dat het koninkrijk zal komen op een dag, maar nu wordt het uitgesteld. Christus Zijn antwoord in Handelingen 1:8 is een echo van deze leer. Het is dus dat het Oudtestamentische koninkrijk van Israël is uitgesteld in de geschiedenis, maar tijdens de interimperiode de Kerk geroepen is om in de wereld het Evangelie uit te dragen.

Handelingen 3:11-26

De kwestie over het uitstel van het koninkrijk wordt verder verduidelijkt in het boek Handelingen enwel in hoofdstuk 3. Dit gebeuren lijkt voor te vallen slechts enkele weken na de stichting van de kerk in Handelingen 2. Als gevolg van de omstandigheden die worden geregistreerd in die passage, is Petrus bezig met een preek op de Tempelberg tot de joden en vertelt hen dat ze een bekering nodig hebben en het Evangelie moeten geloven. Petrus voegt daaraan de volgende verklaringen toe:

“ Kom dus tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden uitgewist worden en er tijden van verkwikking zullen komen van het aangezicht van de Heere, en Hij Jezus Christus zal zenden, die tevoren aan u verkondigd is. Hem moet de hemel ontvangen tot de tijden waarin alle dingen worden hersteld, waarover God gesproken heeft bij monde van al Zijn heilige profeten door de eeuwen heen.” (3:19-21).

Handelingen 3 bepaalt voorts in het Nieuwe Testament dat er een toekomstig koninkrijk is voor Israël, maar deze passage maakt ook duidelijk de voorwaarde voor de komst van dit joodse koninkrijk. Deze eis voor de oprichting van het koninkrijk van Israël is, dat de natie zich moet bekeren in hun verwerping van Jezus als de nationale en individuele Messias (dat wil zeggen, berouw hebben), iets dat zal leiden tot de vergeving van hun zonden. Totdat het berouw plaatsvindt, zegt Petrus, zal Jezus, als de Messias die is aangesteld voor het volk van Israël in de hemel moet verblijven. Echter, wanneer aan die voorwaarde is voldaan, dan zal de Messias terugkeren en “ de tijden waarin alle dingen worden hersteld” en “de tijden van verademing” totstandkomen, dit zijn verwijzingen naar het duizendjarig rijk. Petrus spreekt over “de tijden van verademing” en “de tijden waarin alle dingen worden hersteld” waarvan ook wordt gesproken in het Oude Testament door de profeten. Het zelfstandig naamwoord “herstel” is van dezelfde Griekse wortel die in Handelingen 1 wordt gebruikt als een werkwoord waarover de discipelen maar bleven vragen aan Jezus wanneer Hij zou “herstellen” het koningschap voor Israël. Dit zorgt voor een duidelijke koppeling naar hoofdstuk 3 van het koninkrijk in hoofdstuk 1.

Deze passage bevestigt en ontwikkelt ook verder de voortgang van Gods openbaring over Israël t.a.v. het koninkrijk van de beloften uit het Oude Testament, die niet is vervangen door de oprichting van de kerk. Handelingen 3 laat verder een toekomst zien, maar als een uitgesteld koninkrijk voor het nationale Israël als ze tot geloof komen in de Messias (Zach. 12:10; Romeinen 11:25-27). De periode van de grote verdrukking, die de 70e week van Daniël bevat, zal in een toekomstige tijd zijn wanneer Israël zich zal “bekeren” en “terugkeren” naar de Heer, wat leidt tot verwijdering van hun persoonlijke zonden en de nationale verlossing.

Hand 15:6-21

De Raad van Jeruzalem welke vergadering is opgetekend in Handelingen 15 en zorgt voor de context waarin onze laatste overgangspassage optreedt. De vraag is of de heidenen zich moesten laten besnijden en zich tot het jodendom moeten bekeren, vanwege het geloof in het Evangelie, of kunnen ze gewoon kunnen geloven in dat Evangelie als een heiden, zonder enige relatie tot het jodendom? Een dergelijke vraag gaat recht naar het hart van Gods doel voor de kerktijd, die begon in Handelingen 2 en over de relatie met Israël.

Jakobus, de stiefbroer van Jezus was het hoofd van de kerk in Jeruzalem, welke het centrum was van het vroege joodse christendom, die zich achter het standpunt van Petrus, Barnabas en Paulus stelde, die leerden dat “heidenen zijn gered door de genade van de Here Jezus, op dezelfde manier als zij [ de Joden] het ook zijn” (15:11). Jakobus maakte de volgende verklaring:

“Simeon heeft verteld hoe God voorheen naar de heidenen omgezien heeft om voor Zijn Naam uit hen een volk aan te nemen. En hiermee stemmen de woorden van de profeten overeen, zoals geschreven staat: Hierna zal Ik terugkeren en de vervallen hut van David weer opbouwen, en wat daarvan is afgebroken, weer opbouwen en Ik zal hem weer oprichten,” ( Handelingen 15:14-16).

Jakobus bouwt zijn opmerkingen op rond een citaat van Amos 9:11, die spreekt van een permanent herstel in de laatste dagen van het Joodse volk naar het land van IsraĆ«l, “en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land,” (Amos 9:15) . Wanneer we kijken naar Amos 9:11-12, dan zien we dat Jakobus de zin aanhaalt “Op die dag”, waar vers 11 mee begint en voegt dat in Handelingen 15:16 toe als een “Hierna zal Ik terugkeren.” “Op die dag” in Amos 9:11 oriënteert de vervulling van als de Heer de vervallen hut van David weer zal oprichten, dit binnen een duizendjarig context plaatst (vergelijk Amos 9:13-15). Jakobus zijn proloog van “hierna zal Ik terugkeren” oriënteert dit “hierna” op de Oude Testament quote van de huidige kerktijd. Het is duidelijk dat “hierna” verwijst naar de tijd waarin Jakobus en zijn geloofsgenoten waren aangekomen, dat is de gemeentetijd. Jakobus vertelde de Raad, die in de eerste plaats joods was, dat nadat de huidige kerktijd is voltooid, dan zal de Heer “terugkeren” en zal Hij voldoen aan de beloften voor Israël. Dit geeft een duidelijk overzicht voor de -huidige geschiedenis van de kerktijd, welke gevolgd zal worden door de vervulling van de Davidische beloften aan Israël in het duizendjarig rijk.

Conclusie

In alle drie de overgangspassages in Handelingen wordt het woord “herstel” gebruikt in de een of andere vorm. Dat woord is de sleutel tot het begrijpen dat God niet uitgewerkt is met Israël en op een dag het koninkrijk zal “herstellen” voor haar. Jakobus vertelt dat het doel van de huidige kerktijd is om uit de heidenen een volk te nemen voor zijn naam, dat is de gemeente, de Bruid van Christus. Wanneer het volledige aantal van de heidenen is toegetreden (Rom. 11:25), dan zal God terugkeren en gaan met de natie Israël, wat leidt tot haar bekering en de komst van het duizendjarig rijk. Het Nieuwe Testament leert niet dat de kerk Israël heeft vervangen, in plaats daarvan bevestigt de leer van het Oude Testament dat Israël toetreedt in haar koninkrijk zodra ze gelooft en tot Jezus roept als haar Messias in de tijd van benauwdheid voor Jakob (Rom. 10: 13-15). Zo’n Joods verzamelen zal leiden tot nog grotere bekeringen van de heidenen (Rom. 11:12) als Jezus terugkomt om letterlijk te heersen en te regeren vanuit Jeruzalem door de natie Israël en met de bruid aan zijn zijde.

Eindnoten

[1] Het werkwoord in vers 6, “vroegen” is in de onvoltooide tijd: “De actie wordt afgeschilderd als zijnde in uitvoering of gedaan in de afgelopen tijd.” Daniel B. Wallace, Griekse grammatica dan de basisprincipes-exegetisch Syntax van het Nieuwe Testament (Grand Rapids: Zondervan Publishing House, 1999; 2002), p. 541.

[2] De eerste vier verklaringen van de Grote Opdracht in Mattheüs 28:16-20, Markus 16:14-18, Lukas 24:44-48 en Johannes 20:19-23.

Bron: Transitions in the Book of Acts | Bible Prophecy Blog

Printen??? Spaar papier en inkt.