(homepagina)

Deel twee: Het Beeld dat Satan zal proberen te imiteren

1e deel

8 maart 2011 | door Douglas

Het oorspronkelijke beeld

Om de beschadiging te zien moeten we eerst het origineel verstaan. God is oneindig en natuurlijk zijn er dingen die we nooit zullen begrijpen over Hem. Echter, alles wat de Bijbel openbaart moeten we stevig toepassen op het algemene concept van wie Hij is en hoe Hij is. Iets dat fundamenteel is voor het begrip wat God Zijn beeld is. God zegt ons in Genesis 1:26 dat Hij de mens heeft gemaakt naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis- maar wat precies betekent dat dan?

“En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen!” (Genesis 1:26).

()

Hoe zijn wij in staat om het beeld en de gelijkenis te begrijpen? Heeft het beeld iets om het fysieke aan te duiden in de manier waarop we op God “lijken” of is het alleen maar Zijn goddelijk karakter? Is de gelijkenis alleen maar een spreken over zijn eigenschappen? Of is het mogelijk dat het ook kan verwijzen naar hoe God eruit ziet? Over het algemeen nemen de commentatoren aan dat het woord beeld alleen betrekking heeft op Gods eigenschappen. Elke keer als de Schrift spreekt over Gods handen, hoofd, voeten en dergelijke wordt het uitgelegd als antropomorfe taal (termen die God beschrijven op een manier die wij als stervelingen dit kunnen begrijpen). Niettemin laat de Schrift zien, dat indien er een profetische visioen of beschrijving is van God, we een glimp van Zijn beeld (hoe God er uitziet) opvangen.[7] Tot een goed begrip van het beeld van God zal ons dit helpen in het uitzoeken wat er in de toekomst van de gelovige te wachten staat en ook hoe de vijand heeft geprobeerd om dat beeld van ons te vernietigen in het verleden en de wereld weer zal misleiden in de zeer nabije toekomst.

Volgens de Schrift, is God de Eeuwige en er is niemand zoals Hij: “Daarom moet u heden weten en ter harte nemen dat de HEERE God is, boven in de hemel en beneden op de aarde, niemand anders!” (Deuteronomium 4:39). Hij is de Ene “ Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn, van oudsher de dingen die nog niet plaatsgevonden hebben”(Jesaja 46:10). God zegt “Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste, en buiten Mij is er geen God.” (Jesaja 44:6). God verklaart ook “Ik heb de aarde gemaakt en Ik heb de mens daarop geschapen. Ik ben het, Mijn handen hebben de hemel uitgespannen en aan heel zijn sterrenleger geef Ik Mijn bevelen.” (Jesaja 45:12). God bestaat in en van Zichzelf, werd nooit gemaakt, en heeft geen einde. Er is niemand als Hem boven in de hemel, op de aarde, of onder de aarde.

De eerste mens (Adam) werd ongeveer zesduizend jaar geleden geschapen en elke mens daarna op de planeet is een nakomeling van Adam, dus we zijn allemaal geschapen wezens. We zullen nooit goden zijn en nooit door onze inspanningen een goddelijkheid bereiken. We zijn niet aan het evolueren naar een hogere orde of bestaan​​. De man zal nooit een god zijn, noch gelijk zijn aan de Almachtige! De Bijbel is duidelijk dat de mens is afgedaald vanaf hoe hij was geschapen. We zijn gemaakt naar het beeld en de gelijkenis van God, maar in de val, als de zonde en de dood in de wereld is gekomen, werd het beeld van God in de mens beschadigd. De vraag voor ons is echter wat precies bedoelde God toen Hij zei dat Hij ons had geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis

Er zijn verschillende manieren om de juiste betekenis vast te stellen van die zin. Allereerst zullen we in ieder geval de Hebreeuwse woorden na moeten kijken om te zien hoe ze in de Bijbel worden gebruikt in andere contexten. Het echt is de naam van het spel locatie, locatie, locatie. In bijbelse studies is dit kader, de context, en de context. De context van het woord bepaalt wat een woord betekent. Wij kunnen ook gebruik maken van vergelijkende taalwetenschap om te zien hoe andere Semitische talen met dezelfde wortel hoe het daar begrepen wordt in hun talen. Wij kunnen ons wenden tot eerdere vertalingen, zoals de Griekse Septuagint en het Aramese Targumim om te lezen hoe die woorden werden vertaald.

We zullen onze aandacht vervolgens richten op wat God zegt over Zichzelf in delen van de Schrift. De Bijbel zegt dat God geest is. Het is duidelijk dat God niet van vlees en bloed is (afhankelijk van zuurstof, voedsel, water - niet een op koolstof gebaseerde levensvorm), maar geeft het feit dat Hij een Geest is daar de betekenis aan dat Hij geen lichaam heeft? Paul onderscheidt de verschillende soorten lichamen in 1 Korintiërs 15. Wij zullen ook de passages onderzoeken waar een profeet, ziener, of discipel een visioen of iets dergelijks “ziet” van God in de hemel. Hoe moet deze worden geïnterpreteerd in het licht van de discussie door Paulus over de hemellichamen?

Het volgende om naar te kijken is het zaad van God. 1 Johannes 3:9 zegt: “Ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is.” Dat dus het zaad van God in ons woont. Het woord, sperma [sperma σπερμα] is hetzelfde woord als wat gebruikt wordt om het zaad van de mens en zelfs het dier te beschrijven, dat wordt gebruikt om het ras voort te planten. Petrus zegt dat we verlost zijn met een onvergankelijk zaad. Wat betekent dat we Gods zaad (onbeschadigd) hebben ontvangen? Hoe werkt dat, afwijkend van het vergankelijke zaad dat wij bezitten op dit moment? Kan het zo zijn dat dit het is waarom Jezus zo nadrukkelijk zei dat we wedergeboren moesten worden? Paulus zegt dat we een nieuwe schepping zijn, en het de oude voorbij is. Heeft het inbrengen van de Heilige Geest iets te maken met het feit dat God de mens de adem inblies in de tuin? Was dat het gene wat verloren is gegaan als de mens gezondigd heeft?

Het bijbelse bewijsmateriaal zal aantonen dat het beeld en de gelijkenis van God niet alleen verwijzen wil naar Gods karakter en eigenschappen, maar ook naar Zijn vorm of gedaante, dat wil zeggen, hoe Hij over het algemeen “er uit ziet als” wanneer Hij wordt waargenomen met het oog (of met een geestelijk oog). Bovendien, Gods zaad, hoewel niet bestaande uit DNA strengen van eiwitten en aminozuren, is wat we ontvangen in onze nieuwe lichamen. Dit was ook de essentie van wat Adam ontvallen is. Adam was ook gekleed in licht (zoals God) voor de val, iets dat zal worden hersteld op een keer in de hemelse / geestelijke wereld.

In God’s beeld en vorm

God zegt in Genesis 1:26-27 dat Hij Adam gemaakt heeft naar zijn beeld. “ En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen! En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen” (Genesis 1:26-27). Dit feit wordt herhaald: “ Vergiet iemand het bloed van de mens, door de mens zal diens bloed vergoten worden; want naar het beeld van God heeft Hij de mens gemaakt.”(Genesis 9:6). God is een oneindig wezen en heeft vele communicatieve en niet-communicatieve kenmerken die gezien worden. Zeker de mens is niet almachtig noch alwetend zoals God. Maar hij deelt echter in mindere mate wel Gods creativiteit, visie, passie, het vermogen om lief te hebben, barmhartigheid, enz. - kwaliteiten die deel uitmaken van Zijn beeld en gelijkenis. Voor onze studie, zullen we ons niet focussen op deze aspecten, maar specifiek hoe beide beeld en gelijkenis worden gebruikt in de Bijbel in relatie met Zijn vorm. Woorden en de combinatie van woorden zijn wat de Bijbel maakt en dus is onze theologie gebouwd op het woorden die we vinden in de Schrift. Daarom een woord vinden door de hele Schrift te volgen is een zeer praktisch middel tot het begrip en het belang ervan en hoe we het moeten interpreteren.

()

Tselem צֶ֥לֶם

Het woord beeld (Hebreeuws tselem צֶ֥לֶם) wordt 15 keer gebruikt [9] in de Hebreeuwse Bijbel. De fundamentele betekenis van de wortel heeft de betekenis van een “schaduw” volgens de Gesenius Hebreeuwse Lexicon. [10] Op basis van het gebruik ervan kunnen we vol vertrouwen daar uit de volgende definitie afleiden: ‘een levende of niet-levende voorstelling van iets anders.’ In elf van de vijftien verzen is de afbeelding gebruikt om te verwijzen naar afgoden. Afgoden zijn het beeld (een fysieke representatie) van een demon (of ‘mannen’ in Ezechiël) zoals Paulus ons vertelt in 1 Korintiërs Paulus zegt dat de afgoden in feite demonen zijn: “Nee, ik zeg dit omdat wat de heidenen offeren, zij dat aan demonen [11] offeren en niet aan God, en ik wil niet dat u met de demonen gemeenschap hebt.” (1 Korintiërs 10:20).

Het woord tselem wordt gebruikt om deze afgoden of afbeeldingen te beschrijven en waren gewoon voorstellingen van demonen die werkelijk werden aanbeden. “ dan moet u alle inwoners van het land van vóór uw ogen verdrijven, en al hun beeldhouwwerken vernielen; ook moet u al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten wegvagen.”(Numeri 33:52). [12] De verzen uit Ezechiël vertellen dit speciaal om aan te tonen dat de beelden voorstellingen waren van mannen met een vorm, daar kunnen we het zeker over eens zijn: “De pracht van Zijn sieraad heeft Hij tot iets voortreffelijks gesteld, maar zij hebben er beelden van hun gruweldaden en van hun afschuwelijke afgoden van gemaakt.” (Ezechiël 7:20), “ en maakte voor uzelf mannenbeelden en daarmee bedreef u hoererij.” (Ezechiël 16:17).

Ezechiël 23:14 toont aan dat een beeld nauwkeurig is in zijn weergave van de echte dingen: “Ze zag mannen afgebeeld aan de muur, de beelden van de Chaldeeën.” Het is duidelijk dat een beeld niet hetzelfde is als het echte ding. Een afbeelding kan niet lopen of praten in deze gevallen, maar ze geven trouw aan hoe de mannen leken - op dezelfde wijze als de moderne foto van een persoon niet de persoon zelf is, maar wel een beeld van de persoon geeft. Inderdaad, ik heb foto’s van mensen en weet hoe ze eruit zien, maar misschien weet ik niets over die persoon. Daarom een afbeelding geeft slechts wat informatie over een persoon en niet alle details.

Het laatste vers, die we nodig hebben om te bespreken voor onze studie te complementeren, is Genesis 5:3 waarin staat dat Seth was verwekt bij Adam naar zijn beeld (tsalmo. (צַלְמֹ֑ו)

Toen Adam leefde 130 jaar, verwekte hij een zoon in zijn eigen gelijkenis, naar zijn beeld, en noemde hem Set (Genesis 5:3).

Dit vers is een geweldige illustratie van hoe we zijn geschapen naar het beeld van God. Net als onze kinderen de dingen doen zoals wij (gelijkenis), en ze ook nog op ons lijken. Als ik mijn kinderen zie dan zie ik in hun gezichten en lichamen een combinatie van mijn vrouw en mij. Zo lijken ze erg veel op ons in de afbeelding. Mijn zoontje doet me denken aan toen ik een kind was als hij handelt net zoals ik, hij is daarin mijn evenbeeld! wanneer God de mens maakte vormde Hij Adam, om zowel te handelen als God en om op God te lijken. Ook als mijn kinderen op mij lijken en handelen zoals ik, ze zijn duidelijk afzonderlijke en verschillende wezens. Zo ook, heeft God Adam gemaakt om te handelen en er net als God uit te zien, maar Adam was niet dezelfde als God. Sommige mensen zullen beweren dat dit de majesteit van God omlaag haalt. Ik zou zeggen dat dit eerder het niveau laat zien van waarnaar de mens is afgezakt. Bovendien betekent dit niet dat God tot het beeld van de mens wordt gemaakt, het was de man die naar Gods beeld werd gemaakt.

T’munah

Het woord t'munah [תְּמוּנָה] betekent vorm, beeld of vorm en is zeer analoog aan het woord tselem die we al hebben onderzocht. Volgens God zelf, zag Mozes de vorm (t'munat JHWH תְמֻנַ֥ת יְהוָ֖ה) van de Heer.

Ik spreek met hem van aangezicht tot [ie el ie אֶל - פֶּה פֶּה] aangezicht, zelfs duidelijk, en niet in donkere gezegden, en ziet hij de gedaante van de Heer [t'munat JHWH תְמֻנַ֥ת יְהוָ֖ה]. “Waarom was u niet bang om te spreken tegen mijn knecht Mozes?”(Numeri 12:8).

Daarvoor kregen de Israëlieten de opdracht om geen enkele t'munah van dingen te maken die in de hemel of op de aarde zijn:

Gij zult niet voor uzelf geen gesneden beeld [pesel פֶּ֖סֶל] geen enkele gelijkenis [t'munah תְּמוּנָה] van alles wat boven in den hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is, (Exodus 20:4).

Hetzelfde woord t'munah wordt gebruikt voor wat Mozes wel zag en ook om te beschrijven wat de kinderen van Israël niet zagen. Ze waren niet in staat om te kijken naar de werkelijke vorm van God, zoals Mozes in staat was geweest. Toch is dit hetzelfde woord gebruikt om “beeld” en gelijkenissen te beschrijven van de dingen, dat wil zeggen, waar ze op leken. Mozes herinnerde de mensen aan het feit dat ze niet Gods vorm zagen, zoals hij had. Daarom mochten ze geen beeld van God maken.

En de HEERE sprak tot u vanuit het midden van het vuur; het geluid van de woorden hoorde u, maar een gestalte zag u niet, [t’munah ;[תְּמונָּה] er was alleen een stem. U moet, omwille van uw leven, zeer op uw hoede zijn – u hebt immers geen enkele gestalte [t’munah תְּמונָּה] gezien op de dag dat de HEERE bij de Horeb tot u sprak vanuit het midden van het vuur – dat u niet verderfelijk handelt en voor u een beeld [pesel פֶּ֖סֶל] maakt, de afbeelding [t’munah תְּמונָּה] van enig beeld, de vorm van een man of vrouw, [...] Wees op uw hoede, dat u het verbond van de HEERE, uw God, dat Hij met u gesloten heeft, niet vergeet en voor u een beeld [pesel פֶּ֖סֶל] maakt, de afbeelding [t’munah תְּמונָּה] van enig ding dat de HEERE, uw God, u verboden heeft. Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur, een na-ijverig God. Als u kinderen en kleinkinderen verwekt zult hebben en in het land oud geworden zult zijn en verderfelijk zult handelen, als u een beeld zult maken, de afbeelding van enig ding, en doen wat slecht is in de ogen van de HEERE, uw God, om Hem tot toorn te verwekken, (Deuteronomy 4:12, 15-16, 23, 25).

Als getuigenis van wat er in petto zit voor ons, vertelt de psalmist ons dat we in Gods t'munah (vorm) zijn wanneer we ontslapen of als we zijn opgewekt. “Ik echter zal in gerechtigheid Uw aangezicht aanschouwen; ik zal, wanneer ik ontwaak, verzadigd worden met Uw beeld [t'munatkha תְּמונָּתֶֽךָ].” (Psalm 17:15). Zo Mozes zag God’s vorm en wij zullen als we ontwaken dit doen in Zijn gelijkenis (vorm); t'munah (תְּמונָּה) is een vorm van elk figuur.

Ezechiël’s visioen van God

De profeet Ezechiël vertelt over een visioen dat hij had in hoofdstuk 1 van zijn boek. Hij beschrijft de visuele aspecten van een reeks van wezens die hij zag, dat ging overal waar de Geest ging.

Het gebeurde dat de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien. Toen zag ik, en zie, een wervelwind kwam uit het noorden, een grote wolk, flitsend vuur en een lichtglans eromheen. En uit het midden ervan kwam iets als de schittering van edelmetaal, uit het midden van het vuur. Uit het midden daarvan kwam een gelijkenis [d’mut דְמותּ ] van vier levende wezens. Dit was hun uiterlijk: [mareihen :[מַרְאֵֽיהֶ֔ן] zij hadden de gelijkenis [d’mut דְמותּ] van een man [adam אָדָ֖ם]. Wat de gedaante van de levende wezens betreft: hun uiterlijk was als brandende kolen in het vuur, als het uiterlijk van fakkels. Dat vuur ging heen en weer tussen de levende wezens. Het vuur had lichtglans en uit het vuur schoot een bliksem. En de levende wezens schoten heen en weer als een bliksemschicht. (Ezechiël 1:1, 4,5, 13,14).

Hij beschrijft dan wat hij zag boven de schepselen: “De gelijkenis [d'mut דְמותּ] van het firmament boven de hoofden van de levende wezens was als de kleur van een groot kristal, uitgestrekt boven hun hoofd ” (Ezechiël 1:22). Na tot in detail het uiterlijk of de gelijkenis van de wezens te hebben beschreven, deelt Ezechiël ons dan mee dat hij JHWH zag boven het uitspansel:

En boven het gewelf dat boven hun hoofden was, was iets met het uiterlijk van een saffiersteen, iets wat leek op een troon. En daarboven, op wat op een troon leek, was iets wat leek [k'mareh כְּמַרְאֵ֥ה] op een mens [adam אָדָ֛ם]. Toen zag ik iets als de schittering van edelmetaal, rondom vanbinnen als het uiterlijk van vuur. Vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar boven, en vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar beneden, zag ik iets als het uiterlijk van vuur met een lichtglans eromheen. Zoals het uiterlijk van de regenboog, die in de wolken verschijnt op de dag van de regen, zo was het uiterlijk van de lichtglans rondom. Het was de verschijning van de gedaante van de heerlijkheid van de HEERE. Toen ik dat zag, wierp ik mij met mijn gezicht ter aarde, en ik hoorde de stem van Iemand Die sprak. (Ezechiël 1:26-28

Vers 26 laat ons zien dat de Ene op de troon (die we duidelijk kennen als dat Hij God of de Heer is van vers 28) heeft het uiterlijk van een mens. De Hebreeuwse tekst zegt: “als de gelijkenis van Adam” (k'mareh adam כְּמַרְאֵ֥ה אָדָ֛ם). Met andere woorden, God, de Ene die zit op de troon, ziet eruit als Adam. Ezechiël is niet bezig om God af te beelden als de mens, als we ons Genesis 1:26-27 herinneren, het is de mens die was gemaakt naar Gods beeld. Zo vertelt Ezechiël ons daarmee dat God dezelfde afbeelding heeft zoals Adam had en dan is dat echt om te zeggen dat de mens (Adam) het uiterlijk of het beeld van God heeft.

Ezechiël heeft nog een ontmoeting met deze persoon van vuur in Ezechiël 8:2.

Ik zag, en zie, een gedaante met een uiterlijk als van vuur: vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar beneden toe, was vuur [Septuagint zegt “man”] [13], en het deel vanaf Zijn heupen naar boven was als een glanzend uiterlijk, als de schittering van edelmetaal. (Ezechiël 8:2).

We weten dat dit God is door het feit dat in de volgende verzen staat “Hij” spreekt van de eerste persoon en verklaart de Hij is de Ene die wordt uitgedaagd en ook zal oordelen.

Toen zei Hij tegen mij: Hebt u het gezien, mensenkind? [..] Steeds opnieuw verwekken zij Mij tot toorn. [..] Daarom zal ook Ik handelen in grimmigheid: Ik zal niemand ontzien en Ik zal geen medelijden hebben. Al roepen zij met luide stem ten aanhoren van Mij, toch zal Ik niet naar hen luisteren.

Een als de Zoon des mensen

Deze “man” van vuur is hetzelfde als de Ene die we onthuld zien in het boek Openbaring als Degene die zegt dat Hij “leeft, en dood was, en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid.” Hij is ook omschreven als de “Zoon des mensen”, dat is de Hebreeuwse manier om te zeggen “Menselijk.”

En ik keerde mij om, om de stem te zien die met mij had gesproken. En toen ik mij had omgekeerd, zag ik zeven gouden kandelaren. En te midden van de zeven kandelaren zag ik Iemand Die op de Zoon des mensen leek, gekleed in een gewaad tot op de voeten, en op de borst omgord met een gouden gordel; en Zijn hoofd en haar waren wit, als witte wol, als sneeuw, [als Daniël 7:9] en Zijn ogen waren als een vuurvlam, en Zijn voeten waren als blinkend koper, gloeiend gemaakt in een oven, en Zijn stem klonk als het geluid van vele wateren. En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand en uit Zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn gezicht was zoals de zon schijnt in haar kracht. En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten, en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei tegen mij: Wees niet bevreesd, Ik ben de Eerste en de Laatste, en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van het rijk van de dood en van de dood zelf. (Openbaring 1:12-18)

Al het bewijsmateriaal wijst erop dat de mens lijkt op God. Zeker God is oneindig ver boven Zijn schepping, maar toch, Hij heeft ons gemaakt om op Hem te lijken. Op een dag zullen we zijn zoals Hij (Psalm 17:15, 1 Johannes 3:2, etc.) zo dat we zullen gloeien en stralen en ook dat vurige aspect hebben.

Een Geestelijk Lichaam

Toch, hoe kan het dan zo zijn als ons zo duidelijk is verteld in Johannes 4, dat God geest is? Hoe kan God dan een vorm hebben? Daarvoor moeten wij ons wenden tot 1 Korintiërs 15, waar Paulus duidelijk maakt dat in de wereld die komen zal we niet zonder lichaam zullen zijn, maar we een nieuwe vorm van lichaam hebben. Dit lichaam hier, zoals Adam oorspronkelijk was, was gemaakt van stof. Dat wil zeggen, hij was een op carbon gebaseerde levensvorm en had letterlijk een aards lichaam. Het hemellichaam zal van een andere aard zijn en niet beperkt, zoals de op het koolstof gebaseerde of van stof op basis van het aardse die we nu hier hebben. Paulus reageert op de vraag die werd gesteld “Hoe worden de doden opgewekt? met wat voor lichaam komen zij terug?” (1 Korintiërs 15:35) door het geven van een grondige uiteenzetting van de verschillende soorten lichamen (mensen, dieren, vogels, vissen, en natuurlijke en geestelijke) en hoe onze nieuwe organen eruit zullen zien.

Dwaas, wat u zaait, wordt niet levend, als het niet gestorven is. En wat u zaait, daarvan zaait u niet het lichaam dat worden zal, maar een kale graankorrel, al naar het voorvalt, van tarwe of van een van de andere graansoorten. God echter geeft daaraan een lichaam zoals Hij heeft gewild, en aan elk van de zaden zijn eigen lichaam. Alle vlees is niet hetzelfde vlees, want het vlees van mensen is verschillend, en het vlees van dieren is verschillend, en dat van vissen is verschillend, en dat van vogels is verschillend. En er zijn hemelse lichamen en er zijn aardse lichamen, maar de heerlijkheid van de hemelse is verschillend, en die van de aardse is verschillend. De glans van de zon is verschillend, en de glans van de maan is verschillend, en de glans van de sterren is verschillend, want de ene ster verschilt in glans van de andere ster. (1 Korintiërs 15:36-41)

Paulus doet een reeks belangrijke onthullingen over hoe Jezus is en hoe we zullen zijn met de opstanding. Hij begint met te zeggen dat er in de eerste plaats verschillende soorten vlees zijn, van dieren, vissen, menselijk, en hij verdeelt het tussen het hemelse en aardse.

Zo zal ook de opstanding van de doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in vergankelijkheid, het wordt opgewekt in onvergankelijkheid. Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam wordt opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam en er is een geestelijk lichaam. (1 Korintiërs 15:42-44)

Paulus toont de parallellen tussen het aardse lichaam en een geestelijk lichaam. Alleen maar omdat ons toekomstig lichaam niet zal worden gemaakt van stof wat niet wil zeggen dat het niet tastbaar is. Integendeel, ons toekomstig lichaam zal tastbaar, voelbaar, en permanent zijn.

Zo staat er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levend wezen, de laatste Adam tot een levendmakende Geest. Het geestelijke is echter niet eerst, maar het natuurlijke en daarna komt het geestelijke. De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk; de tweede mens is de Heere uit de hemel. Zoals de stoffelijke is, zo zijn ook de stoffelijke mensen, en zoals de Hemelse is, zo zijn ook de hemelse mensen. En zoals wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen. (1 Korintiërs 15:45-49)

Hier leren we dat, net zoals we zijn in de gelijkenis van Adam (lichamelijk), zo ook het (lichamelijke) beeld van Jezus dat zullen we dragen.

Maar dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk van God niet kunnen beërven, en de vergankelijkheid beërft de onvergankelijkheid niet. Zie, ik vertel u een geheimenis: Wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin. Immers, de bazuin zal klinken en de doden zullen als onvergankelijke mensen opgewekt worden, en ook wij zullen veranderd worden. Want dit vergankelijke moet zich met onvergankelijkheid bekleden en dit sterfelijke moet zich met onsterfelijkheid bekleden. En wanneer dit vergankelijke zich met onvergankelijkheid bekleed zal hebben, en dit sterfelijke zich met onsterfelijkheid bekleed zal hebben, dan zal het woord geschieden dat geschreven staat: De dood is verslonden tot overwinning. (1 Korintiërs 15:50-54)

Paulus zijn bottom line is dat het spirituele niet betekent iets vaag of zonder lichaam. Het betekent simpelweg dat we een lichaam hebben, maar in een geestelijke dimensie (later behandelt). Het verrezen lichaam van Jezus lijkt het paradigma te zijn voor wat het onze zal zijn. Zijn verrezen lichaam is een lichaam dat niet is onderworpen aan de zonde, corruptie, ontbinding, verval, of de dood. Hij kan door de muren heen gaan en bestaan ​​in de geestelijke wereld en toch eten en drinken. Als Jezus het paradigma is, dan betekent dat, dat we een soortgelijk zo mogelijk niet exact een parallel lichaam zullen hebben. Paulus zegt dat onze nieuwe beeld in de gelijkenis zal zijn van God: “en u bekleedt met de nieuwe mens, die overeenkomstig het beeld van God geschapen is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid.” (Efeziërs 4:24).

Gelijk aan Zijn Lichaam

Paulus is zelfs nog specifieker in het boek Filippenzen waar hij stelt dat ons lichaam gelijk zal worden aan Zijn lichaam. Ons bestaan ​​in de wereld die komen zal een ziel niet zonder een lichaam zijn, maar we hebben een lichaam dat nog echt en tastbaar is als ons huidige lichaam. Het wordt gewoon niet gemaakt van stof waar we nu uit bestaan. Wij worden gemaakt vanuit de “Geest” en het wordt als de Here Jezus zelf!

Die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het gelijkvormig wordt aan Zijn verheerlijkt lichaam, overeenkomstig de werking waardoor Hij ook alle dingen aan Zichzelf kan onderwerpen. (Filippenzen 3:21).

Johannes bevestigt dit in zijn eerste brief wanneer hij stelt: “ Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Maar wij weten dat, als Hij geopenbaard zal worden, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is.” (1 Johannes 3:2). Wat we leren is dat God geest is en natuurlijk Hij is niet aards -Hij is niet samengesteld uit stof, Zijn essentie is geest (en ongeschapen). Maar dat wil niet zeggen dat hij zonder lichaam is; Hij heeft een geestelijk lichaam en maakte de mens naar zichzelf. Ons lichaam is een reflectie of afschaduwing van wat Hij is. In het hemelse rijk zijn volgens de Schrift de originele en dingen die er hier op deze aarde zijn min of meer een kopie daarvan. We lezen dit in Hebreeën 8:5 met betrekking tot de priesters:

Deze priesters doen dienst in een afbeelding en schaduw van de hemelse dingen, overeenkomstig een aanwijzing van God die Mozes ontving bij het voltooien van de tabernakel. Want zie erop toe, zegt Hij, dat u alles maakt overeenkomstig het voorbeeld dat u op de berg getoond is.

In feite is in elke plaats waar God in een visioen is gezien in de Bijbel, heeft Hij daar eigenschappen die we associëren met een lichaam. Naast de veelzeggende tekst uit Ezechiël 1, zijn er verschillende andere teksten die iets beschrijven waarin de vorm of een vorm van God wordt gezien.

Vervolgens klommen Mozes en Aäron naar boven, en ook Nadab en Abihu met zeventig van de oudsten van Israël. En zij zagen de God van Israël. Onder Zijn voeten was er iets als plaveisel van saffier, zo helder als de hemel zelf. Hij strekte Zijn hand niet uit naar de aanzienlijken van de Israëlieten. Nadat zij God gezien hadden, aten en dronken zij.

Hier hebben we dezelfde verwijzing naar de saffieren plaveisel zoals wij zagen in Ezechiël 1:26. Hier lijkt het erop dat alleen Zijn voeten zichtbaar zijn, maar dat is significant. Als we onomwonden deze tekst interpreteren, moeten we concluderen dat Mozes en de oudsten in feite God zagen met inbegrip van Zijn voeten. Zou het kunnen dat de tekst precies betekent wat het zegt? De profeet Micha in 2 Kronieken 18:18 heeft beschreven wat Hij zag “Daarom, hoor het woord van de HEERE: Ik zag de HEERE op Zijn troon zitten, en heel het hemelse leger stond aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerzijde.” Hieruit kunnen we leren dat God zit. Hoewel we kunnen aannemen dat God niet hoeft te zitten als gevolg van vermoeidheid zoals menselijke koningen, wordt zijn lichaam gezien in een zittende positie op Zijn troon. Dit wordt ook gezien door zowel Jesaja als Daniel:

In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn gewaad vulden de tempel. CJesaja 1:6)

Ik keek toe totdat er tronen werden geplaatst, en de Oude van dagen Zich neerzette. Zijn gewaad was wit als de sneeuw en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol. Zijn troon waren vuurvlammen en de wielen ervan waren laaiend vuur. (Daniël 7:9)

Daniël ziet zelfs meer dan Jesaja. Hij merkt op dat de Oude van de dagen zat en ook dat Zijn kleding wit was als sneeuw en het haar van Zijn hoofd was als zuivere wol. Niet alleen zit God maar Hij heeft haar op zijn hoofd. Vaak hebben geleerden deze beschrijvingen proberen weg te redeneren door het te interpreteren als figuurlijk of door te beweren dat de bijbelse auteurs antropomorfe taal gebruikten (zie bijvoorbeeld John Gill, Daniël 7:9). Echter, deze interpretatie bezwijkt in een nadere inspectie. Per slot van rekening hebben we gezien dat Ezechiël zegt dat hij iemand zag met het uiterlijk als van “Adam” gezeten op de troon. Zeker, God is veel groter dan we kunnen begrijpen, maar Zijn basisvorm of silhouet lijkt geen werkelijk vraag te zijn. Hij bestaat als een geestelijk lichaam.

Kunnen we dat volledig te begrijpen? Nee, maar het algemene idee is eenvoudig genoeg om te begrijpen. Blijkbaar willen de geleerden ijverig Gods karakter bewaken, zijn misschien wel bang dat de taal over Gods handen, voeten, hoofd en haren al te letterlijk worden genomen, het zou kunnen leiden dat mensen God zullen kleineren tot het beeld van de mens. Maar zoals we al onderzochten, is net het tegenovergestelde waar, God heeft Adam geschapen en de mensheid naar zijn beeld en gelijkenis (zie bijlage een over de drie-enige natuur van God en hoe Hij eruit kon zijn zien). We waren perfect geschapen naar Gods beeld en gelijkenis (hoe hij eruit ziet en hoe Hij handelt), maar de val van de zonde heeft dat beeld bedorven. Toen Adam en Eva luisterde naar de sluwe woorden van de slang stierven ze meteen, en toch duurde het voor Adam 930 jaar om uiteindelijk te bezwijken aan de dood -hoe kan dan beide waar zijn? Het antwoord ligt in de rol van de Heilige Geest in Adam, het licht dat hij verloren heeft, dat zullen we onderzoeken in onze volgende aflevering.


7 God’s image is a topic that must be approached with care, and so let’s state clearly what we are not saying. Founder of the Mormon Cult, Joseph Smith, said in the King Follet Sermon, God himself was once as we are now, and is an exalted man, and sits enthroned in yonder heavens! That is the great secret.” Retrieved March 17, 2010, from: http://www.utlm.org/onlineresources/sermons_talks_interviews/ kingfolletsermon.htm. Later, fifth LDS President Lorenzo Snow in June of 1840 declared, “As man is, God once was; as God is, man may become.” According to LDS theology (which we consider heretical), eternal life is synonymous with godhood. In the words of LDS Apostle Bruce McConkie, “Thus those who gain eternal life receive exaltation ... They are gods” (Mormon Doctrine, pg. 237). Retrieved March 17, 2010 from: http://www.mrm.org/lorenzo-snow-couplet. We completely renounce such talk as utter heresy because they believe that God had parents who also had parents (etc.) and that through God's (Elohim's) good living He became a god and we can do the same. This thinking is a complete perversion of who God is and what Scripture has to say about Him.

8 See http://www.douglashamp.com/books/the-first-six-days.

9 T he English Standard Version translates the word as “shadow” in Psalm 39:6: “Surely a man goes about as a shadow!” and “phantoms” in Psalm 73:20: Like a dream

10 Gesenius Hebrew and Chaldee Lexicon (1846) defines image as follows: צָלַם m. with suff. 1)—צַלְמוֹ ) a shadow, Psalm 39:7; metaph. used of anything vain, Psalm. 73:20. Hence— (2) an image, likeness (so called from its shadowing forth; compare σκία, σκίασμα, σκιαγραφέω), Genesis 1:27; 5:3; 9:6; an image, idol, 2 Kings 11:18; Am. 5:26.”

11 In Deuteronomy we find the same idea: “They sacrificed to demons, not to God, to gods they did not know, to new gods, new arrivals that your fathers did not fear. They have provoked Me to jealousy by what is not God; they have moved Me to anger by their foolish idols” (Deuteronomy 32:17, 21).

12 Consider also the following verses: “Therefore you shall make images of your tumors and images of your rats that ravage the land, and you shall give glory to the God of Israel; perhaps He will lighten His hand from you, from your gods, and from your land” (1 Samuel 6:5). “The images of their tumors” (1 Samuel 6:11). “And all the people of the land went to the temple of Baal, and tore it down. They thoroughly broke in pieces its altars and images” (2 Kings 11:18; see also 2 Chronicles 23:17). “You also carried Sikkuth your king and Chiun, your idols, the star of your gods, which you made for yourselves,” (Amos 5:26).

13 The Hebrew word esh שֵׁא (fire) is almost identical to the Hebrew word ish שׁיִא (man).

14 The church Father Tertullian (AD 145-220) commented on the kind of spiritual body we will obtain in his work on the resurrection based on Paul’s writings: “This corruptible must put on incorruption, and this mortal must put on immortality,” (1 Corinthians 15:51-53) this will assuredly be that house from heaven, with which we so earnestly desire to be clothed upon, whilst groaning in this our present body, - meaning, of course, over this flesh in which we shall be surprised at last; because he says that we are burdened whilst in this tabernacle, which we do not wish indeed to be stripped of, but rather to be in it clothed over, in such a way that mortality may be swallowed up of life, that is, by putting on over us whilst we are transformed that vesture which is from heaven. […] the change that is to come over it, will assume the condition of angels. […] in other words, that the flesh (be covered) with the heavenly and eternal raiment (Tertullian chapter 47, emphasis mine).

Bron: DouglasHamp.com - Researcher and Teacher of God's Word From Creation to the End Times

Deel een

Deel drie

Printen??? Spaar papier en inkt.