Het boek Jubileeën

Wetten betreffende de jubeljaren: 1-5. En de Sabbat: 6-13.

Hoofdstuk 50

  1. En na deze wet heb Ik u de dagen bekend gemaakt van de Sabbat in de woestijn van Sin[ai], die tussen Elim en Sinaï is.
  2. En Ik vertelde u over de sabbatten van het land op de berg Sinaï, en Ik vertelde u over de jubeljaren, de sabbatten der jaren; maar het jaar daarvan heb Ik u niet verteld, totdat u het land dat u moet gaan bezitten binnengaat.
  3. En ook het land zal zijn Sabbatten houden, terwijl zij er verblijven, en zij zullen het jubeljaar kennen.
  4. Daarom heb Ik voor u de jaarweken en de jaren en de jubeljaren geordineerd; het zijn negenenveertig jaren vanaf de dagen van Adam tot aan deze dag en één week en twee jaarweken [2410 AM]; en er zijn nog veertig jaren te gaan (lett.: 'afstand') [2450 AM] om de geboden van de Heer te leren, totdat zij ingaan in het land Kanaän, door het overgaan van de Jordaan naar het westen.
  5. En de jubeljaren zullen voorbij gaan, totdat Israël gereinigd is van alle schuld van ontucht en onreinheid, vervuiling, zonde en dwaling, en met vertrouwen woont in heel het land, en er zal geen satan of iets slechts meer zijn, en het land zal vanaf die tijd voor altijd schoon zijn.
  6. En zie, het gebod met betrekking tot de sabbat - Ik heb het voor hen opgeschreven - met alle oordelen van zijn wetten.
  7. Zes dagen zult u werken, maar op de zevende dag is er de Sabbat van de Heer, uw God. Daarin zult u op geen enkele manier werk doen, u en uw zonen, en uw dienstknechten en uw dienstmaagden en al uw vee en de vreemdeling die bij u is.
  8. En de man die daarop enig werk verricht, zal sterven; wie deze dag ontheiligt, wie gemeenschap met zijn vrouw heeft, of wie maar zegt dat hij er iets op zal doen, dat hij die dag een reis zal maken met het oog op enige aan- of verkoop; en wie op die dag water ophaalt, dat hij op de zesde dag niet voor zichzelf had voorbereid, en wie iets uit zijn tent of uit zijn huis draagt, zal sterven.
  9. U zult op de sabbatdag niets doen, dan wat u op de zesde dag voor uzelf hebt voorbereid om te eten en te drinken en te rusten, en om de Sabbat vrij te houden van al het werk op die dag, en om de Heer uw God te zegenen, die u een feestdag en een heilige dag heeft gegeven. Een dag van het heilige koninkrijk voor heel Israël is deze dag onder hun dagen voor eeuwig.
  10. Want groot is de eer die de Heer aan Israël gegeven heeft, dat zij op deze feestdag eten en drinken en tevreden zijn, en daarop rusten van al het werk, dat tot de arbeid van de mensenkinderen behoort, behalve het branden van wierook en het brengen van offers voor de Heer voor de dagen en voor de Sabbat.
  11. Dit werk alleen zal op de sabbatdagen worden gedaan in het heiligdom van de Heer uw God, opdat zij voor Israël met voortdurende opoffering van dag tot dag als een welbehaaglijkheid voor de Heer mogen zijn, en opdat Hij hen altijd van dag tot dag mag ontvangen zoals aan u geboden is.
  12. En een ieder die er enig werk op verricht, of op reis gaat, of bebouwt (zijn) boerderij, of in zijn huis of op enige andere plaats, en wie een vuur aansteekt, of op een beest rijdt, of per schip op zee reist, en wie iets slaat of iets doodt, een beest of een vogel, of een dier of een vogel of een vis vangt, of wie vast of oorlog voert op de Sabbatten;
  13. De man, die deze dingen op de Sabbat doet, zal sterven, opdat de kinderen Israëls de Sabbatten zullen onderhouden, overeenkomstig de geboden met betrekking tot de Sabbatten van het land, zoals dit op de tafelen is geschreven, die Hij in mijn handen gaf, opdat ik u de wetten zou voorschrijven van de seizoenen en de seizoenen naar de indeling van hun dagen.

Hiermee is het verslag van de indeling van de dagen voltooid.

Bron: Jubilees 50

Hoofdstuk - 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27| 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College