Het boek Jubileeën

Het Pascha; reglementen omtrent de viering (zie Exod.xii.6,9,11,13,22-23,30,46; xv.22).

Hoofdstuk 49

  1. Denk aan het gebod dat de Heer u bevolen heeft betreffende het Pascha, dat u het op zijn tijd zou vieren op de veertiende van de eerste maand, dat u het zou slachten voordat het avond is, en dat zij het 's nachts zouden eten op de avond van de vijftiende vanaf het moment van de ondergang van de zon.
  2. Want in deze nacht - het begin van het feest en het begin van de vreugde - at u het Pascha in Egypte, toen alle machten van Mastema waren losgelaten om al de eerstgeborenen in het land Egypte te doden, van de eerstgeborene van de Farao tot de eerstgeborene van de gevangen dienstmaagd in de molen, en tot aan het vee.
  3. En dit is het teken dat de Heer hen gaf: in elk huis waarvan zij aan de bovendorpel het bloed van een lam van een jaar oud zagen, in dat huis zouden zij niet mogen binnengaan om te doden, maar voorbijgaan, opdat allen die in dat huis waren, gered zouden worden, omdat het teken van het bloed aan de bovendorpel was.
  4. En de machten van de Heer deden alles naar hetgeen de Heer hun gebood, en zij passeerden alle kinderen van Israel, en de plaag kwam niet op hen, om uit hun midden een ziel van vee of mens of hond te vernietigen.
  5. En de plaag was zeer smartelijk in Egypte, en er was geen huis in Egypte waar geen dode was en gehuil en klaagzang.
  6. En heel Israël at het vlees van het paaslam, en dronk de wijn, en loofde en zegende en dankte de Heer God van hun vaderen, en was bereid om uit te gaan van onder het juk van Egypte en de gebondenheid door het kwaad.
  7. En gedenk deze dag, alle dagen van uw leven, en neem die in acht van jaar tot jaar, alle dagen van uw leven, één keer per jaar, op deze dag, overeenkomstig de hele wet daarover, en stel het niet uit van dag tot dag, of van maand tot maand.
  8. Want het is een eeuwige verordening, en gegraveerd op de hemelse tafelen betreffende al de kinderen van Israël, dat zij het elk jaar op die dag moeten waarnemen, één keer per jaar, in al hun geslachten; en er is geen limiet aan dagen, want dit is gewijd voor altijd.
  9. En de man die vrij is van onreinheid, maar niet komt ter gelegenheid van zijn dag, om een aanvaardbaar offer voor de Heer te brengen, en om te eten en te drinken voor de Heer op de dag van zijn feest, die man, die rein is en in de gelegenheid, zal worden afgesneden; omdat hij niet de offerande van de Heer aangeboden heeft op de aangewezen tijd, en hij zal de schuld op zich nemen.
  10. Laat de kinderen van Israël komen en het Pascha houden op de dag van zijn vaste tijd, op de veertiende dag van de eerste maand, tussen de avonden, van het derde deel van de dag tot het derde deel van de nacht, want twee delen van de dag worden gegeven aan het licht, en een derde deel aan de avond.
  11. Dit is hetgeen de Heer u geboden heeft, opdat u het tussen de avonden in acht zou nemen.
  12. En het is niet geoorloofd om het te slachten gedurende enige periode van het licht, maar gedurende de periode die aan de avond grenst, en laten zij het eten op het tijdstip van de avond, in het derde deel van de nacht, en wat overblijft van al zijn vlees in het derde deel van de nacht en verder, laten zij het verbranden met vuur.
  13. En zij zullen het niet in water koken, noch zullen zij het rauw eten, maar het op het vuur braden; zij zullen het met volharding eten, zijn hoofd met de binnenkant daarvan en zijn voeten zullen zij met vuur braden, en geen been daarvan breken; want van de kinderen van Israël zal geen been verbrijzeld worden.
  14. Daarom gebood de Heer de kinderen van Israël het Pascha te houden op de dag van zijn vaste tijd, en zij zullen er geen bot ervan breken; want het is een feestdag, en een bevolen dag, en er mag geen dag overgeslagen worden, van dag tot dag, en maand tot maand, maar laat het op de dag van zijn feest gehouden worden.
  15. En beveel de kinderen van Israël het Pascha gedurende hun dagen, elk jaar, eenmaal per jaar te houden op de dag van zijn vaste tijd, en het zal tot een gedenkteken zijn voor de Heer, en er zal geen plaag van dood of straf over hen komen in dat jaar waarin zij het Pascha op zijn tijd en in elk opzicht naar Zijn gebod vieren.
  16. En zij zullen het niet eten buiten het heiligdom van de Heer, maar voor het heiligdom van de Heer. En al het volk van de gemeente van Israël zal het vieren op zijn aangewezen tijd.
  17. En een ieder die op deze dag gekomen is, zal het eten in het heiligdom van uw God, voor de Heer, van twintig jaren oud en daarboven; want zo is het geschreven en voorgeschreven, dat zij het zouden eten in het heiligdom van de Heer.
  18. En wanneer de kinderen van Israël in het land komen dat zij gaan bezitten, in het land Kanaän, en in het midden van het land in een van hun stammen de tabernakel van de Heer oprichten, totdat het heiligdom van de Heer in het land is gebouwd, laten zij dan komen en het Pascha in het midden van de tabernakel van de Heer vieren, en laten zij het jaar op jaar voor de Heer slachten.
  19. En in die dagen dat het huis in de naam van de Heer in het land van hun erfenis is gebouwd, zullen zij erheen gaan, en 's avonds bij zonsondergang op het derde deel van de dag het Pascha slachten.
  20. En zij zullen zijn bloed op de dorpel van het altaar offeren, en zijn vet op het vuur leggen dat op het altaar is, en zij zullen zijn vlees eten, geroosterd met vuur in de voorhof van het huis dat is geheiligd in de naam van de Heer.
  21. En zij mogen het Pascha niet in hun steden vieren, noch op enige andere plaats dan voor de tabernakel van de Heer, of voor Zijn huis, waar Hij Zijn naam heeft doen wonen; en zij zullen niet afdwalen van de Heer.
  22. En u, Mozes, beveel de kinderen van Israël de verordeningen van het Pascha na te leven, zoals u was bevolen; verklaar aan hen elk jaar en de dag van zijn dagen, en het feest van de ongezuurde broden, opdat zij zeven dagen ongezuurde broden zullen eten; (en) dat zij het feest van het Pascha zullen vieren, en dat zij gedurende die zeven dagen van vreugde dagelijks een offerande zullen brengen voor de Heer op het altaar van uw God.
  23. Want u hebt dit feest met haast gevierd toen u uit Egypte uitging, totdat u de woestijn van Shur binnenging; want aan de kust van de zee hebt u het voltooid.

Bron: Jubilees 49

Hoofdstuk - 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27| 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48

Bronpagina: From The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament by R.H. Charles, Oxford: Clarendon Press, 1913
Scanned and Edited by Joshua Williams, Northwest Nazarene College