20.1 Dit zijn de namen van de heilige engelen die waken.
20.2 Uriël, is een van de heilige engelen, die waakt over de hele wereld en over Tartarus.
20.3 Raphaël, is een van de heilige engelen, die waakt over de geesten van de mensen.
20.4 Raguël, is een van de heilige engelen, die de wreker is op de wereld, en op de lichten.
20.5 Michaël, een van de heilige engelen, is verantwoordelijk voor de leiding aan het beste deel van de mensheid, verantwoordelijk voor de volken.
20.6 Sariël, is een van de heilige engelen, die belast is met de geest van de mannen die ervoor zorgen dat de geesten zondigen.
20.7 Gabriël, is een van de heilige engelen, die belast is met het paradijs, en de Cherubijnen en de Serafijnen.
20.8 Rumiël, is een van de heilige engelen, die God gesteld heeft over degenen die zullen opstijgen.
21.1 Toen ging ik naar een plek waar helemaal niets was gemaakt.
21.2 En ik zag een vreselijk iets, noch een Hoge Hemel, noch een vaste grond, maar een woeste plaats, voorbereid en verschrikkelijk.
21.3 En daar, zag ik zeven sterren van de hemel, samengebonden, als grote bergen en brandend als van vuur.
21.4 Toen zei ik: “Voor wat voor zonde zijn zij gebonden, en waarom zijn ze hierin gegooid?”
21.5 Dan Uriël, een van de heilige engelen, die met mij was en mij leidde, sprak tot mij en zei: “Henoch, over wie stel je vragen? Over wie heb je vragen en zorgen?
21.6 Dit zijn enkele van de sterren die het gebod van de Heer, de Allerhoogste overtraden, en ze zijn hier gebonden tot de duizend tijden zijn voltooid, het aantal dagen van hun zonden”
21.7 Van daar ging ik naar een andere plaats, nog meer verschrikkelijker dan deze en ik zag iets vreselijks: er was een groot vuur daar, dat brande en met oplaaiende vlammen. En de plaats was gespleten tot in de afgrond, vol met grote pilaren van vuur, die afdaalden, waarvan ik niet de omvang kon zien, noch de afmeting of de bron.
21.8 Toen zei ik: “Deze plaats is verschrikkelijk, en zeer pijnlijk om naar te kijken!”
21.9 Vervolgens zei Uriël, een van de heilige engelen, die met mij was, en antwoordde mij. Hij antwoordde en zei tegen mij: “Henoch, waarom hebt u die angst en vrees als gevolg van deze verschrikkelijke plaats, met het zien van deze pijn.”
21.10 Hij zei tegen mij: "Deze plaats is de gevangenis van de engelen, en daar zullen ze voor altijd vastgehouden worden."
22.1 Vandaar uit, ging ik naar een andere plaats, en hij liet me in het Westen een grote en hoge berg zien, en een harde rots, en vier mooie plekken.
22.2 Binnenin was het diep, breed en zeer glad. Hoe glad het was, draaide en diep en donker om naar te kijken!
22.3 Toen antwoordde Raphaël, een van de heilige engelen die bij mij was, en zei tot mij: “Deze prachtige plaatsen zijn er, zodat de geesten, de zielen van de doden, daarin kunnen worden verzameld. Die werden gemaakt voor hen, zodat ze zich hier kunnen verzamelen de zielen van de mensenkinderen.
22.4 En zij maakten deze plaatsen, waar deze zullen blijven tot de Dag des Oordeels, en tot de hun vastgestelde tijd, en de vastgestelde tijd zal lang duren, totdat het grote oordeel over hen komt.”
22.5 Ik zag de geesten van de zonen van de mensen die dood waren en hun stem bereikten de hemel en klaagden.
22.6 Toen vroeg ik Raphaël, de engel die bij me was, en zei tot hem: “Wiens geest is dit, wiens stem reikt tot aan de hemel en klaagt als deze?”
22.7 Hij antwoordde mij, en zei tot mij: “Deze geest is degene die kwam vanuit Abel, die door Kaïn, zijn broer, werd vermoord. En hij zal klagen over hem tot zijn nakomelingen zijn vernietigd van het gezicht van de aarde, en zijn nageslacht vergaan is van onder de nakomelingen der mensen.”
22.8 Toen vroeg ik over hem, en over het oordeel over hen allen, en ik zei: “Waarom is de een gescheiden van de ander.”
22.9 En hij antwoordde mij, en zei tot mij: “Deze drie plaatsen werden zo gemaakt, opdat zij de geesten in de dood zouden scheiden. En de zielen van de rechtvaardigen zijn op deze manier gescheiden, dit is de bron van water, en daarboven het licht.
22.10 Ook is er een plek gecreëerd voor zondaren, wanneer zij sterven, en begraven zijn in de aarde, en het oordeel nog niet over hen is gekomen tijdens hun leven.
22.11 Maar hier worden hun zielen gescheiden voor deze grote kwelling, tot aan de Grote Dag des Oordeels met bestraffing en kwelling voor hen die voor eeuwig vervloekt zijn, en een wraak op hun zielen. En daar zal Hij hen voor altijd binden. Waarlijk, Hij is van het begin van de wereld.
22.12 En er een plaats afgescheiden voor de zielen van hen die klagen, en informatie geven over hun vernietiging, over wanneer ze werden gedood, in de dagen van de zondaars.
22.13 Daarom is er een plek gemaakt, voor de zielen van mensen die niet rechtvaardig zijn, maar zondaars, die hun wangedrag vol maakten en met de onrechtvaardigen zullen zij hun lot delen. Maar hun zielen zullen niet worden gedood op de dag des oordeels, noch zullen zij opstijgen van hier.”
22.14 En ik zegende de Heer der heerlijkheid en zei: “Gezegend zij mijn Heer, de Heer van Glorie en Gerechtigheid, die over alles regeert voor eeuwig.”
23.1 En van daar ging ik naar een andere plaats, naar het westen, aan de uiteinde van de aarde.
23.2 En ik zag een vuur dat brande en bewoog, zonder te rusten of op te houden met bewegen, bij dag of bij nacht, maar voortging op precies dezelfde manier.
23.3 En ik vroeg zeggende: “Wat is dit, wat geen rust heeft?”
23.4 En Raguël, een van de heilige engelen, die met mij was, antwoordde mij, en zeide tot mij: “Dit brandende vuur, waarvan je zag dat het zich naar het westen bewoog, is het vuur van alle lichten aan de hemel.”