70.1 Het geschiedde na dezen, dat terwijl hij leefde zijn naam werd opgeheven van degenen die op de droge grond wonen, in de aanwezigheid van de Zoon des mensen, en de aanwezigheid van de HERE der heerscharen.
70.2 En hij was opgeheven met de wagens van de geest, en zijn naam verdween uit hun midden.
70.3 Vanaf die dag dat ik niet meer werd geteld onder hen, en Hij plaatste me tussen twee winden, tussen het noorden en het westen, waar de Engelen namen de koorden om voor mijn plaats af te meten voor de uitverkorenen en de rechtvaardigen.
70.4 En daar zag ik de Eerste voorvaders en de rechtvaardigen die vanaf het begin van de wereld woonden in die plaats.
71.1 En het geschiedde, na dezen, dat mijn geest is weggevoerd, en opging in de Hemelen. Ik zag de zonen, de heilige engelen liepen op de vlammen van het vuur en hun bekleding was wit en hun kleding, het licht van hun gezicht, was als sneeuw.
71.2 En ik zag twee rivieren van vuur, en het licht van dat vuur scheen als een hyacint, en ik viel op mijn gezicht in het aangezicht van de HERE der Heerscharen.
71.3 Dan komt de Engel Michaël, een van de aartsengelen, die pakte mij bij mijn rechterhand, voerde en leidde me naar alle geheimen van genade, en de geheimen van gerechtigheid.
71.4 Hij liet me alle geheimen zien van de uiteinden van de Hemel en alle Opslagplaatsen van de Sterren en de Lichten van waar ze uit komen van onder de Heiligen.
71.5 En de Geest voerde Henoch weg naar de hoogste hemel, en ik zag daar, in het midden van dat Licht, iets gebouwd van kristal stenen, en in het midden van die stenen, rivieren van levend vuur.
71.6 Mijn geest zag een cirkel van vuur, die dat huis omringde, en van de vier zijden kwamen rivieren, vol met levend vuur, en zij omringd dat huis.
71.7 En rondom zijn er de Serafijnen en de Cherubijnen, en de Ofannim, deze zijn het die niet slapen, maar waken over de troon van Zijn heerlijkheid.
71.8 Ik zag ontelbare Engelen, een duizend duizenden en tienduizend maal tienduizend liggende om dat huis. And Michaël, en Raphaël, en Gabriël, en Pnuël, en de Heilige Engelen, die in de hemel daarboven zijn, gingen in en uit dat huis.
71.9 Toen Michaël en Raphaël, en Gabriël, Pnuël, en de vele Heilige Engelen zonder tal, kwam uit dat huis.
71.10 En met hen de Oude van Dagen, zijn hoofd is wit en zuiver, zoals wol en zijn klederen, onbeschrijfelijk.
71.11 En ik viel op mijn aangezicht, en mijn hele lichaam smolt, en mijn geest was veranderd, en ik riep met luide stem in de geest van kracht, en ik zegende, prees en verheerlijkte.
71.12 En deze zegeningen, die uit mijn mond kwamen, waren aangenaam voor de Oude van Dagen.
71.13 En de Oude van Dagen kwam met Michaël, Gabriël, Rafaël en Pnuël, en duizenden en tienduizenden Engelen ontelbaar.
71.14 En dat Engel kwam naar me toe en begroette mij met zijn stem, en zei tegen me: “Je bent de zoon van de mens die geboren werd tot gerechtigheid en rechtvaardigheid over u blijft de gerechtigheid van de Oude van Dagen en zal u niet verlaten.”
71.15 En hij zeide tot mij: “Hij verkondigt u de vrede in de naam van de wereld die komen gaat, want als daar de vrede is gekomen vanuit de schepping van voor de wereld en dus zal u voor altijd vrede hebben voor eeuwig en altijd.
71.16 Allen zullen wandelen volgens deze weg, en op dezelfde manier, de gerechtigheid zal u nooit verlaten. Met u zullen ze wandelen, en met u hun bestemming, en zij zullen niet gescheiden worden van u voor altijd en eeuwig en altijd.
71.17 En dus zal er lengte van dagen zijn met de Zoon des mensen, en de rechtvaardigen zullen vrede hebben, en de rechtvaardigen zullen rechte weg hebben in de naam van de HERE der heerscharen, voor eeuwig en altijd.”
59.1 En in die dagen zagen mijn ogen de geheimen van het flitsen van de bliksem, en de lichten, en de regels met betrekking tot hen, en zij flitsten tot een zegen of een vloek zoals de HEERE der heerscharen dit wenst.
59.2 En daar zag ik de geheimen van de donder, en hoe wanneer hij donderde in de hemel meer dan het geluid om te horen. Ze lieten me de verblijfplaatsen van de droge grond zien, en het geluid van de donder voor de vrede, en voor de zegen, of voor een vloek, naar het woord van de HERE der heerscharen.
59.3 En na dit alles de geheimen van de lichten, en van de flitsen van de bliksem werden getoond aan mij. Zij flitsten om zegen te brengen en voldoening.
60.11 En de andere engel sprak tot mij, degene die met mij ging en liet me zien wat het geheim is, wat is het eerste en het laatste is in de hemel, in de heuvels, en onder op de droge grond, in de diepte, en aan de uiteinden van de Hemel, en bij de stichting van de hemel, en in de opslagplaats van de Wind.
60.12 En hoe de geesten worden verdeeld, en hoe ze worden gewogen. En hoe de lentes, en de winden, worden geteld op basis van de kracht van hun geest. En de kracht van het licht van de Maan. En de groepen van sterren volgens hun namen. En hoe alle groepen worden gemaakt.
60.13 En de donder, volgens de plaatsen waar het valt. En alle scheiding die zijn gemaakt met de bliksem, zodat het kan flitsen. En haar heerscharen, hoe snel ze gehoorzamen.
60.14 Voor de donder die heeft vaste tijden heeft, die aan het geluid zijn gegeven om te wachten. De donder en de bliksem zijn niet afzonderlijk, hoewel ze ook niet hetzelfde zijn. Door een geest, verplaatsen die twee zich onafscheidelijk.
60.15 Want als de bliksem flits en de donder verheft haar stem, en de geest, op het juiste moment, de oorzaken ervan is een rust, en is verdeelt gelijkelijk tussen hen, omdat de opslagplaats van de tijd voor hun optreden is als die van een zandglas. En elk van deze heeft op het juiste moment vastgehouden aan een teugel, en keerde terug door de kracht van de geest, en is naar voren gereden, volgens het getal van de regio's van de Aarde.
60.16 De geest van de zee is mannelijk en sterk, en volgens de kracht van zijn sterkte, de geest keert terug met een teugel, ook als het naar voren is gereden, en verspreid over alle bergen van de Aarde.
60.17 De geest van de vorst heeft zijn eigen engel en de geest van de hagel, is een goede Engel.
60.18 De geest van de sneeuw is terughoudend vanwege zijn kracht, en het heeft een bijzondere geest, en als die oprijst uit iets wat is als rook en zijn naam is vorst.
60.19 De geest van de mist is niet geassocieerd met hen in hun opslagplaats, maar heeft een speciale opslagplaats, omdat zijn komst is heerlijk, zowel in licht en duisternis, als in de winter en in de zomer, en het opslagplaats is een Engel.
60.20 De geest van de dauw heeft zijn woning aan de uiteinden van de Hemel en is verbonden met de schatten van de regen. Deze komt in de winter en in de zomer en met de wolken. En de wolken van de nevel zijn verbonden met lekaar en de een geeft aan de ander.
60.21 Wanneer de geest van de regen zich beweegt vanuit zijn opslagplaats de Engelen komen en openen het magazijn en breng het naar buiten. En als het zich verspreid over al het droge hij samenkomt met al het water dat op de grond is. En wanneer het zich aansluit bij het water dat op de grond is, vult het de zee en meren.
60.22 De wateren zijn voor degenen die wonen op het droge, want zij zijn de voeding voor de droge grond van de Allerhoogste, die is in de hemel. Daarom is er een vaste maat voor de regen, en de engelen begrijpen dit.
60.23 Al deze dingen, zag ik in relatie met de Tuin der Gerechtigheid.